Brussel België.
Kazerne Prins Albert '2e Monument van de Grenadiers'.
Brussel België.

Na de slag aan de IJzer bezette het Belgisch leger de frontstreek tussen Nieuwpoort en Diksmuide, ze lagen achter de onder water gelopen IJzervlakte. Ten zuiden van Diksmuide volgde deze frontlijn de oever van de IJzer, om dan ter hoogte van Fort Knokke het Ieperleekanaal te volgen. De sector werd bemand door het Belgische veldleger, met in het zuiden en het noordelijk tijdelijk versterkingen van Franse en Britse divisies.

 

Het Belgisch leger ging zich ingraven in de spoorwegberm op de linkeroever van de IJzer en het Duitse leger nam stelling tegen de rechteroever. Vier jaar lang zouden de stellingen nagenoeg onveranderd blijven. Maar graven in dat zompige en natte terrein was heel moeilijk en daarom werden de Belgische loopgraven dan ook grotendeels bovengronds opgebouwd met zandzakken en graszoden. Tijdens de vier jaar durende 'Heilige' wacht aan de IJzer waren er hier geen grote aanvallen waarbij oprukkende manschappen in brede linies het niemandsland doorkruisten.

 

Hier moesten de Belgische piotten zich over en via passerellen (loopbruggen) of met bootjes verplaatsen. In de loop van de oorlog werden de Belgische stellingen verder uitgebouwd, beter aangelegd en herschikt, dat kan men in grote lijnen aanduiden in vier onderdelen of zones. Voor de grote defensieve stellingen werden er kleine vooruitgeschoven posten aangelegd. Dat waren waarnemingsposten, wachtposten, voorposten, luisterposten, … In de onder water gezette zones waren dit meestal kleinere droge eilandjes in de grote watervlakte. Deze “postes aquatiques” wisselden dan ook vaak van bezetting.

 

Achter de grote defensieve hindernis ( de IJzer, de onderwaterzetting of de spoorwegdijk) werd een eerste linie uitgebouwd. Deze bestond uit verschillende elementen: een eerste lijn met een gevechtsloopgraaf, een tweede lijn met een steunloopgraaf en een derde lijn met reserveloopgraaf en commandopost (deze kon nog ontdubbeld zijn of verder uitgebouwd).

 

Doorheen de linie verspreid lagen er verbindingsloopgraven, (betonnen) schuilplaatsen, latrines, hulpposten, prikkeldraadversperringen, … Achter Nieuwpoort, via Booitshoeke en Lampernisse, achter Nieuwkapelle en zo naar Reninge liep de tweede linie. Deze was eveneens opgebouwd met verschillende loopgraven en steunpunten. De tweede linie diende in feite als een tussenstelling. De derde linie liep van Koksijde en Veurne, via het Lo-kanaal en achter de IJzer, stroomopwaarts naar de Fintele. Deze linie bestond uit minstens twee lijnen met loopgraven en verschillende steunpunten. Vanuit het achterliggende gebied, en van linie naar linie werden er batterijwegen, verbindingswegen en smalsporen aangelegd. Op diverse plaatsen werden munitiedepots, geniedepots, verbandposten en bevoorradingsposten opgetrokken. Natuurlijk moesten al die linies en posten bemand worden, daarom werd de frontdienst in de verschillende divisies en infanterieregimenten bepaald door een intern systeem van beurtrollen. Frontdienst omvatte verschillende zaken: de “wacht” in de eerste linie, de piketdienst achter de linie, de halve rust of demi-repos in de kantonnementen. In normale toestand werden de troepen als volgt opgedeeld: een derde stond in voor de onmiddellijke verdediging, een derde stond in voor het andere werk en de mogelijk tussenkomsten en een derde werd als reserve aangeduid.

 

Deze functies werden met beurtrollen gewisseld. De eigenlijke frontdienst, in de eerste linie, was voor de infanterie. Ze kregen hierbij steun van de eigen mitrailleurs, loopgravengeschut en de genie. Bij cavalerieregimenten werden halve eskadrons te voet gesteld om de loopgraven te bemannen. Tijdens de frontdienst liepen de mannen heel wat risico's. Die gevaren bestonden uit beschietingen van loopgravengeschut en artillerie, of ze kwamen voort uit het vuur van mitrailleurs en geweren maar ook van scherpschutters, daarnaast was er nog het gevaar van handgranaten, gifgas of vijandelijke raids. Soms kwam het zelfs tot lijf-aan-lijfgevechten. Ook kleine groepjes Belgische patrouilleurs voerden regelmatig raids uit. Patrouilleurs dat waren mannen die wanneer de avond viel, vanuit hun loopgraven, het niemandsland inslopen. Ze overvielen vooruitgeschoven Duitse posten, vaak boerderijen of hoger gelegen plaatsen in het niemandsland en zocht er informatie over de sterkte van de aanwezige vijandelijke eenheden of troepenbeweging. Soms brachten ze Duitse krijgsgevangen mee terug naar de eigen linies, die werden dan doorgespeeld naar de inlichtingendienst die hen ondervroegen. Deze mannen die vrijwillig het gevaar opzochten konden zowel van hun oversten als van gewone soldaten op respect en erkenning rekenen. Door hun vrijgevochten leven en de aard van hun opdrachten werden de patrouilleurs wel eens als “een ras apart” beschouwd.

 

Maar voor de meeste frontsoldaten bestond het grootse deel van de tijd uit een afmattend wachten. Het alom aanwezige en stilstaand water, die beschermde en de vijand afblokte, zorgde ook wel voor meer ziektes bij de aanwezige manschappen. In de loopgraven stonden de soldaten uren op de uitkijk of achter een opgesteld wapen. Na de aflossing konden ze dan een paar uur, meestal zittend, slapen of een karige maaltijd verorberen. Daarna volgende er reparaties aan de borstwering en de schietstellingen. Anderen kregen de taak om voedsel of munitie op te halen en nog anderen moesten de brancardiers bijstaan bij de hulpverlening aan gewonden of het begraven van de doden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De levensomstandigheden waren erbarmelijk! Er waren geen aangepaste uniformen, en het uniform dat ze droegen was smerig en al veel te lang niet meer gewassen. Er was een te kort aan etenswaar en vaak ook aan onvoldoende zuiver drinkwater of andere dranken, daarnaast waren er ook nog de muggen, vliegen, modder, regen, wind, koude, te weinig slaap, … Die saaie en gevaarlijke wachtdienst aan het front werd afgewisseld met rust periodes.

 

De frontdienst en de rustperiodes van :

Het regiment Grenadiers:


- 7 november 1914 tot 8 maart 1915 Sector Diksmuide , rust in De Panne
- 8 maart 1915 tot 17 augustus 1915 Sector (& slag) Steenstrate, rust te Bray-Dunes
- 17 augustus 1915 tot 4 december 1915 Sector Diksmuide
- 4 december 1915 tot 20 januari 1916, rust in De Panne
- 20 januari 1916 tot 21 december 1916 Sector Nieuwekapelle – St-Jacobskapelle
- 21 december 1916 tot 3 januari 1917, rust in De Panne
- 3 januari 1917 tot 31 januari 1917 Camp de Mailly

Het 1e & 2e Regiment Grenadiers (16e Brigade, 6e Legerafdeling, gevormd op 21 december 1916)
- 8 februari 1917 tot 2 mei 1917 Sector Steenstrate – Boezinge (Sas)
- 3 mei 1917 tot 20 december 1917 Sector Nieuwekapelle – St-Jacobskapelle
- 20 december 1917 tot 8 februari 1918 Rust in de regio Hondschote-Hauthem
- 8 februari 1918 tot 3 juni 1918 Sector Nieuwpoort
- 4 juni 1918 tot 18 juni 1918 Sector Brielen
- 21 juni 1918 tot 5 augustus 1918 Sector Nieuwpoort
- 5 augustus 1918 tot 15 augustus 1918 in reserve
- 16 augustus 1918 tot 28 september 1918 Sector Brielen

(bron: Historique des Régiments de Grenadiers 1914-1918, Col. Etienne & Lt.Col. De Grox, Brussel 1927)

 

Die rustperioden waren ook niet altijd zo leuk als men zou denken! De troepen te velde kregen voor hun dagen van halve rust een gemeente of gehucht als kantonnement toegewezen. Ze hadden er enige gebouwen, schuren en stallen ter beschikking. Voor de officieren eiste men kamers op in de huizen. Naast de bestaande gebouwen werden er ook hutten en tenten opgetrokken, later ook houten barakken. In het kantonnement was er altijd een infirmerie of een hospitaal aanwezig, die zorgden er voor dat er ook vaak een perk met oorlogsgraven op het kerkhof van het gehucht of de gemeente werd aangelegd. Soms legde men er een eigen Belgische militaire begraafplaats aan. Door de hachelijke en ongezonde  situatie in de loopgraven en in de kantonnementen heersten er heel wat ziekten zoals schurft, tyfus, dysenterie, Spaanse griep, ….  Ook de deugddoende nachtrust van de mannen in de barakken en de schuren werd vaak gestoord.  Gebeurde dat niet door toedoen van ongedierte, vlooien, luizen of ratten dan was vaak de schuld van dronken soldaten of troepen die vertrokken naar het front.

 

De kantonnementen voor de volwaardige rustperiodes waren verder naar achter gelegen. Bijvoorbeeld in De Panne waren er allerlei leegstaande gebouwen, villa’s, cafés, bioscoopzaaltjes, … Deze rustplaatsen waren meestal wel beter uitgerust en voorzien van meer comfort. Zowel de rustperiodes als de halve rust hadden een vast programma dat bestond uit voedselbedeling, inspectie, oefeningen, marsen, onderhoudsbeurten voor wapens en uitrusting, opnieuw inspectie, troepenschouwing, karweien, rouwmissen, … Op zondag en ’s avonds mochten de mannen de herbergen binnen de garnizoensgrenzen bezoeken. Aalmoezeniers en brancardiers richtten leeszalen in. Voor veel jongens was het schrijven van brieven een belangrijke occupatie, ze schreven naar familie, maar ook naar hun 'maraines de guerre' (oorlogsmeters). Er werden ook sportevenementen, wedstrijden en zelf kermissen ingericht.

 

 

 

 

Meer artikels
Dodencel. 08-08-2016
Poperinge België.

De cijfers over geëxecuteerden in de diverse legers lopen nogal uiteen.

lees meer ...
Butte de Vauquois. 23-03-2015
Vauquois Frankrijk.

De Butte de Vauquois was de hoogste heuvel in het gebied ten westen van de Argonne en bood een eindeloos gezichtsveld in alle richtingen.

lees meer ...
Son Ok Aniti. (Last Arrow Memorial) 01-06-2015
Helles Turkije.

Het drie meter hoge monument, Last Arrow,  werd gebouwd in 1948.

lees meer ...