Apremont Frankrijk.
MEBU voor MG compagnie 'In Treue Fest'
Apremont Frankrijk.

Wanneer wij het oude front gaan bezoeken spreken de gidsen er vaak over Engeland, meestal bedoelen ze hier eigenlijk het Britse Rijk mee. Ook het veel gebruikte woord Duitsland klopt niet, want ook Duitsland was toen een keizerrijk en men sprak er van het Deutsches Kaiserreich (het Duitse Keizerijk) dat was de onofficiële en correcte benaming voor die staat. In de periode tussen 18 januari 1871 en 9 november 1918 was het Duitse Rijk een semi-constitutionele monarchie.

 

Vóór de Eerste Wereldoorlog bestond er in het keizerlijke Duitsland geen feitelijk Duits leger dat functioneerde als een geheel. Het leger van het Duitse Rijk werd samengesteld met de troepen van de bondsstaten. Slechts in de oorlog kreeg  keizer Wilhelm II (de laatste Duitse keizer en koning van Pruisen )het opperbevel over de totale landmacht. Pruisen, Beieren, Saksen en Wurtemberg hadden eigen legers en eigen oorlogsministeries, een Duitse minister van Oorlog bestond niet. De overige bondsstaten zetten hun militairen in het Pruisische leger in. In vredestijd (1914) was het leger onderverdeeld in negentien Pruisische, drie Beierse en twee Saksische legerkorpsen en één uit Wurtemberg, verder stonden er lichte eenheden in de Duitse koloniën. Tussen de staten was overeengekomen dat de keizer bepaalde bevoegdheden bezat bij benoemingen en voor de uitoefening van het toezicht, maar er waren wel vaste afspraken over wederzijdse verantwoordelijkheden, bewapening, opleiding en dienstuitvoering.

 

Iedere Duitser van mannelijk geslacht was dienstplichtig. De dienstplicht omvatte:

- dienstplicht in het staande leger (2 jaar bij de infanterie en de veldartillerie, 3 jaar bij de cavalerie en de bereden artillerie),

- bij de reserve (4 tot 5 jaar) vrijwilligers voor één jaar en onderwijzers aan de volksschool dienden slechts één jaar in het staande leger en 6 jaar bij de reserve,

- de landweerplicht (5 jaar bij 1ste oproep, aansluitend een 2de oproep tot de leeftijd van 40 jaar),

- de landstormplicht, voor alle niet tot het leger behorende dienstplichtigen van 17 t.e.m. 45 jaar.

Alles bijeen had Duitsland in 1914, 786.000 man onder de wapens, dat was,2 % van de bevolking. De uitgaven voor het leger bedroegen 20 Mark per hoofd van de bevolking.

 

Binnen het Duitse Keizerlijke leger was de divisie een van de belangrijkste militaire organisaties. Door haar compositie vormde de divisie in operationele zin een zelfredzaam geheel. In vredestijd en tijdens het eerste oorlogsjaar omvatte een divisie twee infanteriebrigades met elk twee regimenten, een artilleriebrigade (ook met twee regimenten) en een cavaleriebrigade. Aan het geheel werden nog verschillende ondersteuningseenheden toegevoegd. Geleidelijk werden de divisies teruggebracht tot een brigade met drie infanterieregimenten en een artillerieregiment met drie "Abteilungen" met elk vier stukken geschut. Abteilung III werd uitgerust met houwitsers. Ook het werk van de cavalerie was tijdens de bewegingsoorlog van vitaal belang. De ruiterij zorgde immers voor verkenning, beschermde de flanken van de oprukkende regimenten en konden dankzij hun opleiding en uitrusting bruggen herstellen of desnoods bouwen. Maar toen de legers genoodzaakt waren om elkaar vanuit de loopgraven te bestrijden werd de bereden cavalerie al gauw onbruikbaar. Haar krijgsdiensten beperkten zich dan tot het begeleiden van krijgsgevangenen, transporten en zo meer. Soms werden cavaleristen ook gebruikt als "gewone" frontsoldaten terwijl hun paarden dan bij artillerie, die altijd met een tekort aan dieren kampte, terecht kwamen. Andere eenheden trokken naar het oostfront, daar was er wel nog af en toe behoefte aan cavaleriecharges.

 

Op vredesvoet waren de Duitse legers 50 infanteriedivisies sterk:

Op 2 augustus 1914 waren er 51 Infanterie-, 31 Reserve-, 4 Landwehr-, 6 Ersatz-divisies en 1 in oprichting.

Op 1 januari 1915 waren er 51 Infanterie-, 54 Reserve-, 5 Landwehr-, 6 Ersatz-, 2 Marine-divisies en 10 in oprichting.

Op 1 januari 1916 waren er 78 Infanterie-, 54 Reserve-, 20 Landwehr-, 6 Ersatz-, 2 Marine-, 1 Jäger-divisie en 1 in oprichting.

Op 1 januari 1917 waren er 115 Infanterie-, 55 Reserve-, 25 Landwehr-, 7 Ersatz-, 2 Marine-, 2 Jäger-divisies en 1 in oprichting.

Op 1 januari 1918 waren er 140 Infanterie-, 55 Reserve-, 34 Landwehr-, 6 Ersatz-, 3 Marine-, 3 Jäger-divisies.

 

Eén Duitse divisie bestond in 1916 uit drie infanterieregimenten, twee artillerieregimenten, een cavalerieregiment bestaande uit drie eskadrons i.p.v. vier,  en uit enkele compagnieën loopgraafartillerie, Pioniere en Pontoniere, (genie) en verbindingstroepen.In getallen betekende dit ongeveer 18.000 à 20.000 manschappen! Van deze massa waren er telkens een 2.000 man in de loopgraven aanwezig. Wanneer een offensief gepland werd of bezig was dan was de volledige divisie in staat van alarm. In de rustigere momenten werd de frontlijn minimaal bemand en werd die gesteund door een evenredig aantal mitrailleurs. Het gros van het dienstdoende bataljon hield zich op in de ondersteuningslijn.

 

In aanvalsopstelling had een divisie vier bataljons in de eerste lijn staan, dat betekende ongeveer 4.000 man op een front van 1700 tot 2500 meter. Een compagnie (circa 250 man) nam er plusminus 500 meter voor haar rekening. In de tweede lijn bevonden zich twee bataljons en in de derde lijn waren er drie. Eén regiment (of vier compagnieën) werd in reserve gehouden. De artillerie stond opgesteld op een afstand die gelijk was aan een kwart van haar schietbereik. De diepte van het actieve gebied was bij benadering 10 kilometer. In de eerste maanden van de oorlog ondersteunde de artillerie het aanvallende voetvolk daar waar het nodig was. De Feld-Artillerie volgde de infanterie op de voet, de Fuss-Artileri was hiervan vrijgesteld omdat ze vanuit een vaste positie rechtstreeks het vuur opende op het aanvalspunt. De leerstelling van het Duitse leger voorzag geen tactische artillerie-reserve, omdat een niet gebruikt geschut stuk een verloren wapen was! Maar tegen het uitbreken van de Slag bij Verdun in 1916 hadden de Duitsers de methode "de artillerie vernietigd en de infanterie bezet" uitgewerkt.

 

Het was een algemeen principe om tijdens een artilleriebarrage (spervuur) het vuur plots te staken. Dat moest dan de vijandelijke troepen doen geloven dat er een infanterieaanval op komst was. Wanneer de mannen dan uiteindelijk hun schuilplaatsen hadden verlaten begon de kanonnade, maar nu met verdubbelde kracht, opnieuw. Dit al te doorzichtige foefje werd omzeild door steeds iemand op de uitkijk te plaatsen, die sloeg dan alarm op het ogenblik dat de stormloop werkelijk begon. Dat was een taak die pas tot een goed einde kon worden gebracht als de personen in kwestie over stalen zenuwen beschikten en ondenkbaar veel mazzel hadden. Als de infanterie in actie kwam dan verlegde men het vuur naar de vijandelijke achterhoede.

 

Ten aanval, bij het afgesproken signaal verlieten de infanteristen de loopgraven om de vijandelijke stellingen voor hen te gaan bezetten, althans toch in theorie. Doch in praktijk kwam het er op neer dat men in drie golven de in puin geschoten overkant benaderde. Tijdens een aanval had iedere eenheid (divisie, bataljon, sectie) een eigen taak. Eerst werd het vijandelijk garnizoen (indien dat lukte) overrompeld en uitgeschakeld, schuilplaatsen werden gezuiverd en geschutsopstellingen (mitrailleurs, loopgraafgeschut) vernietigd. Bepaalde aanvalsploegen die meestal bewapend waren met een extra aantal handgranaten hadden de taak gekregen om er de haarden van verzet op te ruimen. De laatste en zeker niet de onbeduidendste taak was om het veroverde gebied klaar te maken voor de verdediging, zodat men er een eventuele tegenaanval kon opgevangen. Iedere unit op zich was belast met het beschutten van zijn flanken, want een onbeschermde flank liet de vijand toe om in de achterhoede te infiltreren en zo de groep af te snijden van de hoofdmacht, en dat had meestal catastrofale gevolgen.

 

De Beierse troepen die ook deel uitmaakten van het Duitse keizerlijke leger, telde in het begin van de oorlog 4.089 officieren ( waaronder ook artsen, dierenartsen en ambtenaren ), 83.125 onderofficieren en manschappen, evenals 16.918 paarden. Met het begin van mobilisatie, op 1 augustus 1914, werd de Duitse keizer de bevelhebber van het mobiele leger. De resterende troepen in Beieren bleven onder het commando van het Beierse Ministerie van oorlog. Het Beierse leger werd als het 6e leger, met drie Beierse legercorpsen en versterkt met het Ie. Beierse Reserve Corps, de Beierse Cavalerie Divisie en andere eenheden, onder de leiding van kroonprins Rupprecht von Bayern naar het Westelijk Front vervoert. Zo vocht het Beierse leger, tot begin september 1914, in de slag bij Lotharingen en in de Vogezen, voor de laatste keer in haar geschiedenis als een verenigde kracht. Als gevolg van maatregelen van de transformatie en de reorganisatie van het Duitse leger, vanaf de herfst van 1914, begon de specifieke bevelvoering van de Beierse troepen zich te ontbinden en werden ze gemend met eenheden van andere deelstaten.

 

Hun motto luide, “In Treue fest” (vrij vertaalt: met vast vertrouwen) deze zinspreuk vinden we ook terug boven de ingang van een door de Beierse pioniers gebouwde betonnen schuilplaats in het Franse Apremont. Deze betonconstructie ligt in de Tranchée des Bavarois (de  Beierse loopgraaf) en was een onderdeel van een Duits loopgraven systeem in de sector van  St. Mihiel, ten zuiden van Verdun. Vanaf 1915 werden de Duitse linies hier versterkt met een groot aantal betonstructuren. Deze betonnen schuilplaats werd vervaardigd in 1915/16 en diende als schuilplaats voor de mannen van een mitrailleur compagnie die rechts nabij de uitgang van hun betonnen onderstand een betonnen vuurpositie hadden gebouwd.

 

 

 

 

 

Vaak beweerden geallieerde oudgedienden, ook Belgische oud-strijders, dat ze liever tegenover Beierse troepen lagen, volgens hen waren zij minder agressief dan de Pruisen, of is dat één van de vele fabeltjes die hun oorsprong vonden in het interbellum? Dat een zekere Adolf Hitler meestreed met de Beierse troepen (ook in onze regio), namelijk bij het  Königlich Bayerische 16. Reserve-Infanterie-Regiment (RIR 16) is ondertussen een meer dan bekend verhaal!

 

 

 

Meer artikels
Italiaans Ossuarium en Oostenrijks - Hongaarse begraafplaats. 16-01-2017
Feltre Italiƫ.

In het Italiaanse ossuarium en op de Oostenrijks-Hongaarse begraafplaats van Feltre rusten de vijanden van weleer nu zij aan zij.

lees meer ...
Flatiron Copse Cemetery 'Brothers in Arms'. 04-07-2016
Mametz Frankrijk.

Flatiron Cops was de naam dat het Britse leger gaf aan een kleine aanplanting ten oosten van Mametz Wood (Somme).

lees meer ...
St-Elooi. 23-03-2015
Voormezele (Ieper) Belgiƫ.

Sint-Elooi vormde het meest vooruitgeschoven punt van de Duitse frontlinie rond de stad Ieper.

lees meer ...