Douaumont   Frankrijk.
Ouvrage de Thiaumont.
Douaumont Frankrijk.

In een brief naar huis beschreef infanterist Anton Steiger, een twintigjarige student theologie, zijn belevenissen, van de laatste dagen voor Verdun maar ook de verschrikkelijkste!

 

Op 11 juli marcheerde onze compagnie af naar het bos van Fosses. Om twaalf uur trokken we verder tot de kloof van Ablain. Daar bleven het tweede peloton en een groep van het derde peloton achter. De eerste en tweede groep van het derde peloton, zeventien man, twee onderofficieren en een sergeant-majoor, marcheerden door. Daarbij ik en mijn twee schoolkameraden Steiner en Reidser. Ongeveer 600 m. voor onze plaats van bestemming kropen we in een granaattrechter om op krachten te komen, want we moesten het traject zo snel mogelijk, op zijn vort-vort afleggen. Er was immers een verschrikkelijk spervuur gaande. Een granaattrechter kunnen jullie je het best voorstellen als je denkt aan een met wortel en al uitgerukte grote boom. Ik was nauwelijks gaan liggen, of - ssstt - daar sloeg een granaat vlak voor ons in. Geschreeuw, gekerm, gehuil, en tegelijk ook de kreet: "Op, op vooruit, vooruit, wie dat nog kan!" Ik verzamelde mijn laatste krachten en sprong op (wij waren natuurlijk allemaal bepakt). Ik liep die 600 m niet, maar viel van de ene granaattrechter naar de andere. In onze schuilplaats verloren we zes van onze zeventien man, drie waren dood, onder wie Reiser, met wie ik in mijn schooltijd negen jaar lang ben opgetrokken. Van de drie gewonden wist er nog één, vroeg de volgende dag, kruipend onze schuilplaats te bereiken. Hij werd de volgende nacht door onze mensen meegenomen. Een granaat sloeg in onder hen en de gewonde evenals zijn vier dragers waren dood. Onze schuilplaats was een oude al half in elkaar geschoten Franse kazemat, 150 meter van de artilleriestelling Thiaumont verwijderd. In onze ogen was het slechts een hoopje aarde, de ingang was precies een vossenhol. Daarachter leidde een trap, helemaal door aarde bedolven, naar de ruimte waarin we vier dagen lang hebben gelegen. Er lagen doden onder het puin, bij een ervan staken de benen naar buiten tot aan de knieën. Beneden waren er drie ruimtes. Eén van die ruimten lag vol met Franse lichtkogels en vuurpijlen, deze was zo groot als onze keuken. De plaats waarin wij verbleven, lag gedeeltelijk vol met Franse munitie, de derde was gevuld met Franse explosieven. Omdat we maar een paar kaarsen hadden was het er heel de tijd stikdonker. Dan was er nog die verschrikkelijke stank, de bedorven lucht van doden. Ik kreeg die vier dagen bijna niets door mijn keel. Op de derde dag schoot de Franse artillerie met 28'ers zo op onze schuilplaats, wij dachten dat alles in elkaar zou storten. Op de vierde dag, een vrijdag, ging de zware artillerie er al vroeg los en het duurde tot 's avonds half 10. Dat betekende, tien uur in een schuilplaats liggen onder granaatvuur. Tien uur de dood of de kans om levend begraven te worden onder ogen zien of het vooruitzicht hebben om in de lucht te vliegen in geval er een granaat daar inslaat waar de explosieven liggen. Maar het zou nog anders gaan, één gat was al helemaal in elkaar geschoten, het ander zozeer bedolven dat er nauwelijks een man door kon kruipen. Wij kregen dus, doordat onze kelder zes meter achter het gat lag en daarna nog twee meter in de diepte, bijna geen lucht meer. Tenslotte schoten de Fransen waarschijnlijk gasgranaten op ons af. Opeens keek de sergeant-majoor op, hij werd onwel, nog een paar ander stonden op en vielen flauw. Dan schreeuwde de sergeant-majoor: "Eruit, naar boven, wie dat nog kan!". Ik en de andere lagen op onze ransels. Als we opstonden vielen we zonder meer om. Er ontstond een onbeschrijflijke wirwar. Iedereen snakte naar lucht. Iedereen wilde eruit. Iemand viel en iedereen bleef steken. Velen hadden niet meer de nodige kracht om zich naar boven te werken. Ik had die kracht nog wel. God zij dank! Ik hielp nog iemand naar buiten. Buiten gekomen, doken we de volgende granaattrechter in! We waren allemaal krijtwit. De granaten sloegen links en rechts van ons in, maar we bleven liggen en verroerden ons niet meer. Een paar van ons kwamen vrij gauw weer op kracht en haalden de anderen die niet meer naar boven konden komen. Ze werden allemaal gered. Bij drie of vier moesten we kunstmatige ademhaling toepassen. Na een half uur, om tien uur 's avonds, begonnen we aan de terugweg, dat wil zeggen wij wankelden terug. Er was niemand die nog kon lopen, om de vijf minuten stopten we."

 

 

Het onderkomen waar zij verbleven was hoogstwaarschijnlijk T.D. 1. De resten van dit onderkomen bevinden zich nu onder het Ossuaire. Anton Steiger zou kort daarop ingezet worden bij de slag aan de Somme. Op 14 oktober 1916 zou hij sterven te Sailly-Saillisel. Hij rust op het Duitse oorlogskerkhof in Rancourt in een "Kameradengrab".

 

 

Meer artikels
Poelcapelle British Cemetery 'Sec. lieut Hugh Gordon Langton'. 23-10-2017
Langemark- Poelkapelle België.

De gemeente Poelkapelle werd tijdens de 'Eerste Slag bij Ieper', op 20 oktober 1914, door de Duitsers veroverd, de Fransen die het dorp toen in handen hadden moesten wijken voor de vijandelijke overmacht.

lees meer ...
Poppies in de Vlaamse velden. 13-06-2016
Geluveld ( Zonnebeke) België.

 

In 1916 speelde het zwaartepunt van de oorlog zich vooral af in Frankrijk, bij Verdun en in de Somme.

lees meer ...
Keltisch kruis 'Keith Rae' nabij Sanctuary Wood Cemetery. 27-07-2015
Zillebeke ( Ieper) België.

De nacht van 29 op 30 juli 1915 werd beheerst door een onheilspellende stilte. De sector Hooge werd verdedigd door de 41e brigade van de 14e divisie.

lees meer ...