Ovillers-la-Boiselle Frankrijk.
Helmen & Kruisen.
Ovillers-la-Boiselle Frankrijk.

Toen op 1 juli 1916 de Slag aan de Somme (1juli-18novmber 1916) uitbrak bleef Pozières, een boerendorpje dat langs de oud Romeinse weg van Albert naar Bapaume lag, de eerste dagen van het offensief nog redelijk buiten schot.  Maar om de hoogte bij Contalmasion en Mametz Wood veilig te stellen moest men de versterkte stellingen bij Pozières innemen. Op 10 juli begonnen de eerste echte aanvallen op het dorp, deze werden uitgevoerd door het 13e bataljon van de Rifle Brigade, maar die eindigden er rampzalig. Rond de 15e juli was het de beurt aan het 8e bataljon van het East Lancashire Regiment van de 112e brigade om het dorpje aan te vallen maar ook zij werden er vrijwel meteen teruggeslagen.

 

Halverwege juli 1916 marcheerden de drie Australische divisies van het 1ste Anzac Korps naar de Somme. In de nacht van 22 op 23 juli werd het Korps bij de derde fase van het Somme offensief ingezet. Op 23 juli kwam de 1e Australische Divisie voor het eerst in actie, hun objectief was Pozières. Vanaf dat moment zouden die twee namen met elkaar verbonden worden. De aanval vond plaats in de nacht van 23 op 24 juli en was een onderdeel van een ambitieus plan om de lijn van Mash Valley, High Wood en Devil Wood in te nemen, als de Australiërs daarin zouden slagen kon men misschien ook wel de windmolen met de heuvelkam innemen en zo zicht krijgen op Bapaume.

 

De strijd om het kleine Franse dorpje werd ingezet en zou er van 23 juli 1916 tot 5 september 1916 dood en verderf zaaien. Op de linkerflank bevond zich de 48e divisie die Mash Valley aanviel en zich zou aansluiten bij de Australiërs. Op de rechterflank zaten de Britse1e en 33e divisie. De aanvallen op de rechterflank liepen vrijwel meteen vast en ook aan de linkerkant vlotte het niet echt goed. De Australiërs daarentegen waren frisse en zeer gemotiveerde troepen.  Al tijdens de eerste aanval veroverden ze de buitenste loopgraven van het Duitse bolwerk. De Australiërs knokten zich een weg door het verwoeste dorpje. Al na een uur hadden ze de huizen aan de rechter kant van de weg ingenomen. Op die plaats moesten ze de aansluiting trachten te maken met de mannen van de 48e divisie, maar die kwamen maar schoorvoetend vooruit. Op eigen initiatief trokken de Australiërs door en veroverden de gebetonneerde onderstand Gibraltar, de rest van het dorp en de begraafplaats. Dit stoutmoedig initiatief kostte hen wel heel wat mannen maar bezorgde hen wel de reputatie van vechtjassen te zijn.

 

In de dagen komende na deze aanvallen werd Pozières door de Duitsers letterlijk in de grond gestampt. Zij wilden kost wat kost deze strategisch belangrijke hoogvlakte opnieuw veroveren. De artilleriebeschieting die de Duitsers daarvoor ontketenden was enorm, het was naar verluid het hevigste bombardement van de Sommeslag. Het terrein dat onder vuur kwam te liggen was in feite erg klein. De Duitsers positioneerden vrijwel al hun kanonmonden in de richting van dit gebied, maar toch zouden de Aussies Pozières niet meer opgeven.

 

In  zijn verslag  beschreef Luitenant John Raws (23ste  Australische Infanteriebataljon) het graven van een loopgraaf aan de frontlinie bij de heuvels van Pozières in de nacht van 31 juli op 1 augustus 1916:.. “We liepen (’s nachts) achter elkaar door de smalle communicatieloopgraven. Het hele eind werd er op ons geschoten, maar het werd een absolute hel toen we een bijzonder zwaar gordijn van vijandelijke beschietingen op een verwoest dorp (Pozières) passeerden. Te midden van deze beschieting werd onze rij opgehouden. Ik kwam vanuit de achterhoede naar voor en ontdekte dat  ongeveer de helft van ons, afgesneden waren van de rest van het bataljon. We waren verdwaald. Het liefst had ik mezelf doodgeschoten, want ik had er geen idee van waar onze linies of die van de vijand waren, de granaten leken van drie kanten te komen. Dat was ook zo. We gingen doodsbang langs een aardenwal liggen. De beschietingen waren vreselijk. Ik nam een flinke teug pure whisky, liep langs de aardenwal heen en weer en probeerde iemand te vinden die me kon vertellen waar we waren. Eindelijk vond ik iemand. Hij leidde me langs een onderbroken pad en zo vonden we een loopgraaf. Hij zei dat hij zeker wist dat dit pad naar onze linies leidde, dus gingen we terug om de mannen te halen. Het was moeilijk om hen in beweging te krijgen, ze waren helemaal kapot. Eindelijk vonden we de weg naar de juiste plaats daar ergens in Niemandsland. Onze leider was doodgeschoten voordat we er aankwamen en twee andere officieren waren van de spanning krankzinnig geworden.

 

Een andere nieuwe officier (luitenant Short) en ikzelf namen de leiding in handen en groeven de loopgraaf. Er werd voortdurend op ons geschoten, ik wist als we dit werk niet klaar kregen voordat het licht werd dat een nieuwe aanval die voor de volgende dag gepland was dan zou mislukken. Het was vreselijk, maar we moesten al gravend de mannen op alle mogelijke manieren aanmoedigen. De gewonde en dode soldaten moesten aan één kant gegooid worden, ik verbood mannen om een gewonde te helpen, de mannen moesten graven… Net voordat het licht werd gaf een officier die daar ook was (van een andere eenheid), en helemaal doorgedraaid was, ons het bevel om te gaan. De loopgraaf was nog niet klaar. Ik nam het op mij om van de mannen te eisen dat ze bleven, ik deed dit door te dreigen dat iedereen die met graven stopte doodgeschoten zou worden. In een tornado van exploderende granaten groeven we verder tot we klaar waren. Vijandelijk vuur zorgde er de hele tijd voor dat het hele gebied opgelicht werd alsof het dag was. We kwamen er zo goed als mogelijk weg. Ik werd twee keer onder de grond bedolven en werd een paar keer tegen de grond geslagen en  begraven met dode en stervende mannen. De grond lag vol met lichamen die in alle staten van ontbinding en verminking waren. Nadat ik mezelf vanonder de aarde worstelde tilde ik in de buurt een lichaam op om het uit de grond te trekken maar ontdekte dan dat het een ontbonden lijk was.  Zo trok Ik een hoofd van een lichaam en werd ik onder het bloed besmeurd. Het was een onbeschrijfelijke verschrikking. In het zwakke wazige licht van de dage raad verzamelde ik 50 mannen en stuurde hen, gek van angst, op het goede pad terug. Twee dappere kerels bleven achter en hielpen me met de enige niet bedolven gewonde man die we konden vinden. De terugweg met hem was vreselijk! Hij ijlde. Ik bond een van zijn benen met een van mijn beenwindsels aan zijn bepakking vast. Op de terugweg vond ik nog een man en zorgde ervoor dat hij bij ons bleef en ons hielp.

 

Daar ontmoette ik weer iemand van onze mannen, die was er zeker van dat zijn maat gewond in dat spervuur lag. Ik zou mijn ziel ervoor gegeven hebben om er onderuit te komen, maar ik moest wel met hem en een brancardier terug. In dat verwoeste dorp zochten we twee uur naar gewonde mannen, maar iedereen was dood. Ik weet zeker dat de beelden die ik tijdens die zoekactie zag, en de reuk, nooit zullen overtroffen worden door iets anders dat de oorlog me nog zal tonen. Ik ging er de volgende nacht weer heen en bleef daar. We werden continu beschoten, X.... (Naam weggelaten in de oorspronkelijke tekst) draaide door en verdween.”

 

Tegen de tijd dat de 1ste Australische Divisie door de 2de Australische Divisie werd afgelost had deze al 5.000 man, voornamelijk door artillerievuur, verloren.

 

Op ongeveer 500 meter afstand ten noordoosten van Pozières op het hoogste punt van de heuvelrug stond er een windmolen. De 2de Australische Divisie werd aangevoerd om de molen en om de OG linies (door de geallieerden de Old German lines 1 en 2 genoemd) die langs de molen lagen te veroveren. Van op deze heuvelrug zou de Australische artillerie de Duitse achterhoede tot wel 10 kilometer naar het oosten in de richting van Bapaume kunnen bestoken. In de nacht van 28 op 29 juli viel de 2de Australische Divisie de OG linies aan, maar de overhaaste planning resulteerde in een mislukking, behalve aan de linkerkant van de Divisie, waar de 6de Brigade wel een gedeelte van een Duitse loopgraaf achter de begraafplaats van Pozières veroverde.

 

Het was de 2de Australische Divisie dus niet gelukt de OG linies in te nemen en daarom werd er op 4 augustus een tweede en zorgvuldiger geplande aanval gelanceerd. De OG linies werden nu wel veroverd en ook tijdens de Duitse tegenaanvallen werden die in handen gehouden. Voor de eerste keer konden de Australiërs op de heuvelrug het door de Duitsers bezette Bapaume in het noordoosten, op acht kilometer afstand, zien liggen.

 

Nadat het de OG linies veroverd had richtte het 1e  Anzac Korps  nu haar aandacht op Mouquet farm. De Australische 4e Divisie loste de 2e divisie, die in twaalf dagen tijd 7.000 had man verloren, af. Als de 4de Divisie de boerderij kon veroveren dan zou het Duitse bolwerk in Thiepval geïsoleerd worden en eventueel tot de overgave gedwongen kunnen worden. Van 8 augustus tot 5 september rukten de Australiërs op naar Mouquet Farm (Mow-Cow farm) en kwamen tot drie keer toe op het bijbehorende stuk land, maar werden dan telkens weer teruggedrongen.

 

De mannen van de 1ste en 2de Australische Divisie hadden ondertussen wat op adem kunnen komen en hadden nieuwe manschappen gekregen die er hun eerdere geleden verliezen moesten vervangen. De twee divisies werden op hun beurt ook weer ingeschakeld. Helaas kon geen van de Australische divisies de boerderij veiligstellen. Tegen de 5e september, toen het 1e Anzac Korps zich van aan het front had teruggetrokken en er door Canadese troepen vervangen werd, had het Korps in zes weken tijd 23.000 man verloren. Negen van de tien mannen in deze verliezen maakten deel uit van de 36 infanteriebataljons van het Korps. Met net onder duizend man in elk bataljon, werd meer dan de helft van de Australische infanterie gedood of verwond.

 

Pozières zou tijdens het grote Duitse voorjaarsoffensief in 1918 weer ingenomen worden door de Duitsers.Van Pozières bleef na de oorlog niets meer over dan puin en opgespatte aarde.

 

1916 was ook het oorlogsjaar waarin alle strijdende troepen massaal stalen helmen gingen dragen. Bij de Britten was dit de Brodie helm. In 1915 ontwikkelde John Leopold Brodie een helm die gebaseerd was op de middeleeuwse ketelhoed. Deze helm kon uit één stuk staal geperst worden, kon daardoor dus goedkoop gemaakt worden en bood toch de nodige bescherming tegen rondvliegende puinbrokken en sommige granaatscherven. De helm had een ondiepe komvorm en een brede rand. Tegen de zomer van 1916 waren er al één miljoen helmen naar Frankrijk verscheept. Deze aanvankelijke types A en B van de helm hadden echter nog een aantal tekortkomingen, de helmrand was te scherp en de helmen reflecteerden te veel in het licht. Deze gebreken werden aangepakt met het model Mk I. Ook het binnenwerk werd nog aangepast. De helm werd door de troepen de "tin hat" of "battle bowler" genoemd. Toen de VS in 1917 deelnam aan de oorlog zochten ook zij naar gepaste helmen. In 1917 bestelden ze 400.000 Britse helmen, daarna namen ze het ontwerp over en produceerden ze zelf hun helmen. De Amerikanen noemden de helm "doughboy".

 

 

Meer artikels
Spanbroekmolen British Cemetery. 01-01-2018
Wijtschate (Heuvelland) België.

De Spanbroekmolen, ook Lokermolen genoemd, stond drie eeuwen lang op een hoogte niet ver van het kruispunt Wijtschate - Wulvergem en Mesen-Kemmel.

lees meer ...
Memorial ‘Amedeo di Savoia Duca delle Puglie e 3° Duca d'Aosta’. 31-10-2016
Gorizia Italië.

Prins Amedeo, de 3de hertog van Aosta werd geboren op 21 oktober 1898.

lees meer ...
Canakkale Memorial voor de Turkse martelaren. 19-10-2015
Morto Bay ( Seddülbahir) Turkije.

“Honderd jaar geleden hebben duizenden van onze soldaten hun leven op dit front opgeofferd voor hun land en eer,”

lees meer ...