Zonnebeke België.
Nabij Black Watch Corner 'Hond & Baasje'.
Zonnebeke België.

Tijdens de oorlog werden paarden, katten, duiven en ratten ingezet om het eigen leger te beschermen of de vijand te schaden. Maar ook honden vervulden een belangrijke en veelzijdige rol op en achter het slagveld. Uiteraard weet iedereen dat het paard het meest gebruikte dier uit de oorlogsgeschiedenis is maar ook de hond komt voor in de top tien van de veel gebruikte oorlogsdieren. Zowel zwerfhonden, politiehonden en honden van diverse rassen, die gedoneerd werden door hun eigenaars werden opgeleid tot militaire honden met verschillende taken. Oorlogshonden werden ingezet in een veelheid van rollen, onder meer als vechthond, waakhond, trekhond, speurhond, ambulancehond maar ook voor het uitwisselen van berichten. Nee, nieuw was dit zeker niet, honden werden al eeuwen ingezet in oorlogen en andere conflictsituaties. De Oude Egyptenaren en Romeinen gebruikten hun honden al om de vijand te herkennen en deze te grijpen.

 

Tijdens de vorige eeuwwisseling en dat tot in de jaren 1930 werd er bij het vervoeren van allerlei goederen veelvuldig gebruik gemaakt van honden als trekdieren. België had in die periode hiervoor zelfs een ras gefokt met zeer specifieke eigenschappen nl. de Mâtin Belge of Belgische Trekhond (de Mastiff). Rond 1900, telde België 150.000 trekhonden, die werden vooral gebruikt om brood- en melkkarren te trekken. De Belgische trekhond werd ook door het Belgisch leger uitgekozen om er mitrailleurwagentjes te trekken. Heel wat van deze prachthonden zouden in de oorlog sneuvelen.

 

 

In 1911, bestelde België 104 Maxim mitrailleurs. De luitenants Blancgarin en Van de Putte opperden het idee om een karretje voor mitrailleurs, dat zou getrokken worden door Belgische trekhonden, te fabriceren.   De legerstaf bestelde de vehikels bij FN te Herstal. De trekhonden en hun karretjes deden hun toegangsexamen op de grote legermaneuvers van de zomer 1913, ze slaagden met glans! De trekhondenafdelingen van de Karabiniers bewezen in augustus 1914 hun doeltreffendheid tijdens de gevechten rond Leuven, Mechelen, Lier en Halen. Het was dankzij de snelle beweging van één van de trekhondenafdelingen dat de Duitse Ulanen te Halen werden verslagen. Jammer genoeg zijn er op vandaag geen originele afstammeling van dit hondenras meer in leven. Wel zijn enkele Belgische honden- en geschiedenisliefhebbers momenteel bezig met de reproductie en fokken van dit ras.

 

Bij het begin van de oorlog telde het Franse leger 15.000 honden. Bij deze laatsten kwamen in de maanden en jaren die volgden nog de honden die hun baasje volgden naar het front, dat waren dan vooral gezelschapshonden. De eerst genoemde honden hadden een militaire rol en waren speciaal uitgekozen, geselecteerd volgens hun kwaliteiten en werden dan getraind voor het uitvoeren van specifieke taken. De honden die officieel bij het Franse leger hoorden kregen allemaal een stamnummer, daardoor kon men hun lot achterhalen en weten we dat een derde van hen, 5.321, werden gedood of als vermist werden gesignaleerd.

 

In de Eerste Wereldoorlog ging men ook honden als Rode Kruis-honden inzetten, deze werden ook vaak ambulancehonden genoemd. Deze dieren speurden gewonden op en voerden de slachtoffers af in een speciaal rijtuigje of slee. Andere ambulancehonden werden getraind en ingezet om medicijnen over en weer te brengen. Men leerde de honden aan om de doden te negeren en om in het geval van het vinden van een gewonde niet te blaffen, maar in stilte hun baasje te verwittigen. De honden waren uitgerust met een zadelachtige rugtas, waarin verbanden, wat voer voor de hond, een flesje sterke drank en een bel voor in de nacht zaten. De honden werden niet op hun ras uitgekozen, maar wel op hun karaktereigenschappen en grootte. De dieren moesten groot en sterk genoeg zijn en van nature geneigd zijn tot het aanleren en ook werkwillig zijn. Allereerst trainde men de honden om de uniformen van vriend en vijand te onderscheiden. Hoewel de dieren vaak door één trainer werden opgeleid ging men er vanuit dat de honden al snel een vorm van korpsgeest zouden bezitten waardoor ze naar iedereen in de eenheid zouden luisteren wanneer dit nodig was.In totaal waren er gedurende de oorlog ongeveer 10.000 honden werkzaam als ambulancehond. De meeste ambulancehonden die aan het front werden ingezet sneuvelden, zij waren immers gemakkelijke schietschijven voor de vijand. De grootste successen boekte men dan ook in de meer beschutte delen van het slagveld.

 

Eén van de velen die door deze heldhaftige dieren werd gered was de Duitse luitenant von Wieland.  von Wieland raakte aan het oostfront tijdens een gevecht met de Russen ernstig gewond. Door het aanhoudende strijdgeweld slaagden zijn medestrijders er niet in om hem uit het niemandsland te evacueren. Plots kwam er vanuit de Duitse loopgraaf een hond tot bij hem aangesneld, het dier  greep hem vest en sleepte hem in de richting van de eigen linies. Onderweg raakte de moedige hond, die naar de naam Steif luisterde, gewond. Toch slaagde Steif erin om de Duitse officier in veiligheid te brengen, voor deze daad kreeg de hond nadien van keizer Wilhelm II een medaille.Ook aan Franse zijde had men een dappere ambulance hond, het was een Franse wolfshond die men  Prusco had genoemd. Tijdens één van de vele gevechten die Prusco meemaakte redde hij achtereenvolgens drie militairen, dat kon doordat hij de gewonden zich liet vastklampen aan zijn halsband en hen dan zo naar de eigen linies meesleurde. Eén voor één bracht hij zo de militairen in veiligheid. In zijn diensttijd redde hij meer dan honderd militairen.

 

Een andere veel voorkomende taak die honden tijdens de oorlog volbrachten was die van wachtpost en boodschapper. Wachtpatrouilles werden vergezeld van een hond die hen moest waarschuwingen wanneer er gevaar dreigde. Door hun smalle postuur, donkere kleuren, intelligentie en trainbaarheid, bleken vooral de Doberman Pinchers zeer effectief te zijn voor het uitvoeren van deze taak. Waakhonden die aan het front werden ingezet lagen stil boven op de loopgraaf en moesten een signaal geven wanneer er iemand de linie naderde. Voor deze taak werden hoofdzakelijk rustige honden ingezet die op één kilometer afstand de vijand konden ruiken. Soms werden honden ook gebruikt om sluipschutters of verborgen vijandelijke troepen te vinden.

 

Aan het front zette men ook kleine hondjes in als rattenpakkers. De troepen in de frontlinie hadden naast de oorlogsgevaren ook nog vele andere ongemakken te verduren. In de loopgraven waren ongedierte een constante irritatie. De mannen hadden er een  enorme afkeer van de luizen die hen constant teisterden, maar toch was hun haat tegenover de vele ratten nog groter. De overal rondslingerende afgedankte voedselrestjes en de ontbindende lijken deden de rattenpopulatie met een verbazingwekkende snelheid stijgen. In de loopgraven en dug-outs werden de mannen geplaagd met 'ratten zo groot als katten' dat was toch wat de gekwelde mannen toen beweerden. In het belang van de algemene gezondheid werden er regelmatig rattenjachten georganiseerd, deze werden een belangrijk tijdverdrijf voor de manschappen!

 

Er werden ook honden gebruikt om boodschappen van de achterste linies naar de voorste linies, en vice versa, over te brengen. Deze honden waren kleiner, sneller en veel wendbaarder dan menselijke boodschappers en waren dus ideaal voor deze gevaarlijke taak. Ook voor het leggen en uitrollen van telefoonlijnen gebruikte men soms honden.

 

Een aantal van die honden werden beroemd, geprezen en gedecoreerd! De hoogst onderscheiden hond uit de Eerste Wereldoorlog was Sergeant Stubby. Stubby, een bulterriër of Bostonterriër, werd in 1917 door John Robert Conroy gevonden op de campus van de universiteit van Yale. Conroy leerde Stubby marcheren en het geven van een soort groet. Wanneer Conroy op transport werd gezet richting het front in Frankrijk, smokkelde hij Stubby mee aan de SS Minnesota. Stubby ging zo mee met de 102e infanterieregiment van de 26e  (Yankee) divisie en betrad bij de Chemin des Dames het strijdtoneel. In april 1918, tijdens een aanval raakte Stubby door ontploffende Duitse handgranaten gewond aan zijn voorpoot. Na een revalidatieperiode in de achterhoede, kwam Stubby terug naar het front. In de loopgraven was Stubby immers zeer waardevol. Nadat hij in aanraking was gekomen met gifgas verkreeg de hond een speciaal talent voor het vroegtijdig opsporen van giftige dampen, meermaals wist hij de manschappen waarbij hij vertoefde te waarschuwen voor een gasaanval. Hij lokaliseerde ook gewonden in het niemandsland. Hij hoorde en herkende de naderende artillerieprojectielen eerder dan de mensen en kon hen zo tijdig voor het dreigende gevaar waarschuwen. Stubby was ook verantwoordelijk voor het vinden van een Duitse spion in de Argonne. Nadat de Amerikanen Château-Thierry hadden veroverd schonk de lokale bevolking een soort van jasje aan Stubby, hier kon men zijn medailles aan opspelden. Stubby verbleef achttien maanden aan het front en overleefde zeventien slagen. Na de oorlog keerde Stubby terug huiswaarts met zijn baasje Conroy, deze was ondertussen tot korporaal gepromoveerd, maar Stubby had de rang van sergeant. Stubby werd een beroemdheid in Amerika en marcheerde mee in diverse parades. Stubby overleed in 1926 in de armen van Conroy. De Bostonterriër kreeg een eigen steen in het Liberty Memorial in Kasas City.

 

Naast de bovengenoemde taken waren de honden ook belangrijk voor de moraal van de manschappen. De dieren boden plezier en troost aan verveelde, vermoeide en gewonde militairen en waren psychologisch gezien van onschatbare waarde.

 

In januari 1915 was er een terriër die vanuit de Britse loopgraven, tijdens de jacht op een rat, bij het Duitse Beierse Reserve Regiment 16 verzeilt geraakt. De terriër werd er het troeteldier van Adolf Hitler die bij dat regiment diende. Hij adoreerde het dier en noemde hem Fuchsl ( betekend vosje). Hitler beschreef de hond in zijn later openbaar gemaakte brieven. Over Fuchsl schreef hij onder ander: “Mijn Fuchsl heb ik zo vaak bestudeerd. Hij zat altijd naast mij als ik aan het eten was en staarde me aan. Als ik hem bij de vijfde of zesde hap nog niets had gegeven, dan legde hij zijn poot op me en keek met een blik van ’ik ben er ook nog’. Wat mocht ik hem graag. Iedereen was gek op hem. Ik heb alles met hem gedeeld en ’s avonds sliep hij bij me. Toen de gasoorlog begon, kon ik hem niet langer meenemen, mijn kameraden gaven hem dan te eten.” In augustus ’17 werd Hitlers gehavende regiment afgelost. Ze moesten met de trein naar de Elzas. Op het station bood een spoorwegbeambte die verrukt was over de capriolen van Fuchsl, Hitler 200 Mark voor de terriër. "Al gaf je me er 200.000, je kreeg hem niet", was Hitlers antwoord. Toen hij de hond na een troepenverplaatsing eind 1917 kwijt raakte, was Hitler ontroostbaar: “Ik merkte opeens dat Fuchsl verdwenen was. Ik was radeloos. De Schweinhund die hem heeft meegenomen, weet niet wat hij mij heeft aangedaan…”

 

Ook in het bezette Belgische gebied waren er heel wat honden, maar vanaf het najaar van 1917 beschouwde de Duitse bezetter het bezit van een hond als een luxe en legde er in september een jaarlijkse belasting van veertig Belgische Frank op, voor sommige bezitters was dit toen een hoge en moeilijk te betalen som. Een maand later werden de honden groter dan 40 cm opgevorderd om te dienen in het Duitse leger. Veel mensen weigerden hun honden af te staan en doodden hun dier, sommigen deden dat als en vorm van rebellie tegen de bezetter, anderen deden het uit compassie en liefde voor hun trouwe metgezel. Ook al eerder in het conflict hadden velen, wegens het gebrek aan voedsel hun hond(en) gedood! Anderen lieten hun dieren ergens achter en hoopten dat ze het op de een of andere manier konden overleven.

 

Wanneer de Duitse admiraal Ludwig von Schröder in Brugge ging paardrijden werd hij vergezeld door zijn hond, maar ook door een ordonnans. Die had de taak om de zwerfhonden, toch deze die te dicht naderen bij de hond van de admiraal, dood te schieten. Dezelfde admiraal beval in februari 1918, namens de gezondheid en de openbare vrede, om de honden die in de straten circuleerden te verzamelen en hen te doden als hun meester ze niet binnen drie dagen kwamen afhalen. De bezetting zorgde dus voor de verdwijning van een groot deel van de Belgische hondenpopulatie.

 

De eeuwenlange band tussen mens en hond werd door de Eerste Wereldoorlog nogmaals benadrukt. Na de oorlog verscheen de hond geregeld in literatuur en films als symbool van loyaliteit en moed in tijden van oorlog.

 

 

Meer artikels
Deutscher Soldatenfriedhof Soupir. 08-09-2014
Soupir Frankrijk

De Duitsers rukten op met een snelheid van gemiddeld 30 km per dag, een tempo waardoor hun aanvoerlijnen almaar langer werden. De daaruit voortkomende logistieke problemen én de vermoeidheid van de troepen verminderden de Duitse gevechtskracht maar hun overwinningsroes dreef hen voort. Het Duitse 1e Leger van generaal von Kluck besloot van het oorspronkelijke plan (het von Schlieffenplan) af te wijken door niet westwaarts om Parijs te trekken, maar aan de oostkant van Parijs te blijven.

lees meer ...
De Kezelberg 'Guillaume Vanraes'. 20-10-2014
Moorsele België.

19 oktober 1914 was een bijzonder cruciale dag, een verkeerd opgevolgd bevel van de Britse legerleiding betekende dat een aanval op Menen een dag te laat startte, op 19 oktober i.p.v. op 18 oktober. Terwijl de Britten van de 7e divisie de confrontatie zochten met de Duitse eenheden van het 6e leger (vnl. cavaleriedivisies) die in de Leievallei posteerden kwamen ze tot de constatering dat een ongekend en nieuwgevormd Duits leger (4e leger, met daarbij de 54e reservedivisie Württembergers en Saksen) optrok vanuit het oosten.

lees meer ...
Monument Belgische Regimenten. 31-08-2015
Oud - Stuivekenskerke België.

Op de herinnering site te Oud - Stuivekenskerke worden er ook een aantal Belgische artillerie eenheden herdacht.

lees meer ...