Gillingham Verenigd Koninkrijk.
Houten Tank
Gillingham Verenigd Koninkrijk.

In januari 1916 stelde men het prototype van de nieuwe tank voor aan de Britse legerleiding, ook koning Georges de Vijfde was op die voorstelling aanwezig.   Doch niet iedereen was overtuigd van de voordelen van dit nieuwe moderne wapen, maar de opperbevelhebber van het Britse leger, Sir Douglas Haig, realiseerde zich wel de mogelijkheden van de tanks als wapen en wou er zo vlug mogelijk over beschikken. Na de demonstratie van het prototype gaf David Lloyd George direct opdracht om met de productie van dit veelbelovende wapen te beginnen, hij bestelde 100 stuks. Haig wilde al tegen 1 juni 1916 een aantal tanks in Frankrijk hebben, hij wou ze inzetten om de Britse troepen te ondersteunen bij het geplande Somme-offensief, maar dat bleek wegens tijdsgebrek niet mogelijk te zijn.

 

De factor tijd was zeker van groot belang bij de ontwikkeling van de tank. Voordat men dit nieuwe wapen werkelijk kon gebruiken in de strijd, moest men voldoende tijd nemen om de tank uitgebreid te testen en hem technisch te verbeteren. Ook de pas samengestelde tankbemanningen moesten voldoende kunnen oefenen met dit nieuwe tuig. Bovendien wou men de tanks niet te vroeg inzetten zodat ze het verrassingseffect van dit nieuwe strijdmiddel niet zouden kwijtspelen. Tevens was generaal-majoor Ernest Swinton van inzicht dat beste perspectieven voor het gebruik van de tank gelegen waren in een massale en geconcentreerde aanval op één punt. Swinton adviseerde het Britse hoofdkwartier om zijn prudentie te volgen, hij waarschuwde ook dat dit een aspect was waar eerst voldoende op geoefend moest worden. Sir Ernest Dunlop Swinton (1868-1951) was één van de belangrijkste figuren achter de ontwikkeling van de tank in de Eerste Wereldoorlog.

 

De productie van de tanks type Mark I duurde langer dan werd verwacht. De tank Mark I kende twee types:

  1. de ‘males’ (‘mannetjes’) met twee zesponder (terugslag loze) Hotchkiss scheepskanonnen en twee Vickers (luchtgekoelde) mitrailleurs
  2. de ‘females’ (‘vrouwtjes’) met vijf Vickers mitrailleurs   

 

De Mark I tank woog 28 ton, was 8.06 meter lang, 2.46 meter hoog en had een breedte van 4.11 meter.  De pantserplaten waren 6 tot 10 millimeter dik. De tank had een 105 pk. Daimler motor. De topsnelheid van dit nieuwe oorlogstuig was, afhankelijk van het terrein ongeveer vijf kilometer per uur en had bereik was 35 tot 40 kilometer, die was uiteraard ook afhankelijk van de omstandigheden. Op het strijdtoneel te midden van granaattrechters, greppels, loopgraven en een natte ondergrond was de snelheid in realiteit niet meer dan één kilometer per uur. Onder die zware omstandigheden konden de tanks de infanterie moeilijk of vaak niet bijhouden. De Mark I tank was een heel lastig te manoeuvreren vehikel. Het lawaai in de rijdende tank was oorverdovend. De bemanningsleden konden elkaar nauwelijks verstaan en de orders werden dan ook gegeven door klopsignalen. De tank werd bediend door acht mannen. Naast de chauffeur zat de bevelvoerende officier. In de zijkasten aan de linkerkant en rechterkant bevonden zich twee kanonniers In iedere kast zaten twee schutters. Twee mannen moesten er de twee versnellingsbakken bedienen, voor elke rupsband één. De motor bevond zich in het midden van de tank, dat zorgde ervoor dat de bedieners van de versnellingsbakken uiterst oncomfortabel zaten en daardoor vaak brandwonden opliepen.

 

Dit nieuwe legeronderdeel kreeg de benaming “Heavy Section Machine Gun Corps” (de naam Tank Corps kwam pas in juni 1917 in gebruik) Er waren heel wat problemen bij de werving en de opleiding van de officieren en de manschappen, daardoor bleek dit nieuwe wapen nog niet klaar te zijn om bij het begin van het Somme-offensief naar Frankrijk te vertrekken. Er werd geschat dat men pas begin september 1916 ten hoogste 6 compagnieën (150 tanks) in het veld zou kunnen brengen. In januari 1917 zouden er 14 compagnieën (350 tanks) gereed kunnen zijn.

 

De Britse opperbevelhebber Douglas Haig koesterde nog steeds de arrogante hoop dat de oorlog vóór het einde van 1916 kon worden beslist, dat als de Slag bij de Somme tenminste tot een goed einde kon worden gebracht. Daarom commandeerde Haig dat men onmiddellijk alle tanks en bemanningen die op dat moment gereed waren zo rap als mogelijk naar Frankrijk moest overbrengen. Hij wilde met een (zoveelste) beslissende aanvalsstoot bij de Somme de grote doorbraak forceren.

 

Men was van plan om in september ‘16 een gezamenlijk Frans-Brits offensief te lanceren. Het was de bedoeling om een grootscheepse en alles beslissende aanval over een front van 11 km breed te organiseren. In dit front moest men tussen Flers en Courcelette een grote bres van vier kilometer slaan. Door die bres wou men dan vijf cavaleriedivisies  laten oprukken die moesten doordringen in de Duitse achterhoede om er ruimte te scheppen voor de infanterie die het karwei dan zou  afmaken en het offensief zou voortzetten om een grote sprong voorwaarts te maken. De aanval moest gewelddadig, vermorzelend en onstuitbaar zijn. Doch generaal-majoor Swinton kon op dat moment maar drie tankcompagnieën naar Frankrijk sturen. Het was de C-compagnie die als eerste  Abbeville bereikte. De compagniecommandant hoopte dat zijn mannen er nog enkele weken de tijd zouden krijgen om de voorbereiding en de training in alle rust te voleindigen, maar hij moest er zowat iedere ochtend en middag demonstraties op touw zetten voor officieren en leden van de militaire staf.

 

Voor het offensief waren er voorlopig slechts 60 tanks beschikbaar, maar enkele dagen voor de aanval bleek dat er door allerlei technische problemen slechts 49 van de 60 tanks zouden kunnen ingezet worden. De disponibele Mark I tanks moesten verdeeld worden over de Britse legereenheden die de lijn Flers – Courcelette zouden aanvallen. Het XIVe  Legercorps kreeg 18 tanks (drie secties van zes) van de C-compagnie toegewezen, ze waren genummerd van C1 tot en met C18. Aan het XVe Legerkorps werden ook 18 tanks (drie secties van zes) toegewezen zij behoorden tot de D-compagnie en waren genummerd van D1 tot en met D18. Tanksectie C19 tot en met C24 en tanksectie D19 tot en met D25 werden aan het IIIe Legerkorps toegewezen. Tank D13 kwam bij de reservetroepen terecht.

 

Het Britse bombardement begon op 12 september om 6.00 uur en werd gedurende drie dagen onverminderd voortgezet. Op 13 september viel er op verscheidene plaatsen enige regen, maar de volgende dag scheen de zon weer. Aan de Britse zijde van het front droogde de grond grotendeels weer op. In de nacht van 13 op 14 september rolden de 49 beschikbare tanks onder de grootst mogelijke discretie vanuit hun standplaats Bray-sur-Somme naar de aangewezen aanvalsposities. Onderweg waren er voorraden benzine, olie en munitie opgeslagen. De opmars naar de aanvalsposities verliep op diverse plaatsen chaotisch. ‘s Nachts had men vanuit de tanks een zeer slecht zicht en door het gebrek aan tijd en ervaring was slechts in een enkel geval gezorgd voor een verkenning van de te rijden route. Ook het lawaai van de artilleriebeschieting en de toestand van de wegen die naar het front leidden waren de tankcommandanten en bestuurders volkomen vreemd. Als gevolg van mechanische gebreken en ongelukken onderweg slaagden 17 van de 49 tanks die vanuit Bray-sur-Somme waren vertrokken er niet in om hun startpositie te bereiken Eén van de tanks bereikte zijn doel niet omdat de tankbestuurder hardnekkig weigerde om over een weg te rijden die bezaaid lag met lijken. Van de 22 die daar wel in slaagden, kwamen er 7 op het uur U (op het tijdstip van de aanval) niet weg van hun plaats. Aldus rolden slechts 15 van de 49 tanks langzaam naar het niemandsland toe om er op 15 september met de aanval te beginnen.

 

Op 15 september hadden de tanks het moeilijk om de infanterie die vlak achter de artilleriebarrage oprukte te volgen. De drie divisies namen de loopgraven en versterkte punten van de tussenliggende Duitse stellingen de een na de ander in bezit. Tussen de vijandelijke verdedigingswerken slaagden de tanks er eindelijk in om de infanterie in te halen.

 

Ondanks alles had de vuurdoop van de tanks een verwoestend effect op het Duitse moreel, dan toch tenminste in het begin. Gezien hun geringe aantal en hun onbetrouwbaarheid was hun belang in de breedte gering.

 

In de buurt van het dorpje Flers werd de Britse infanterie hevig onder vuur genomen waardoor de aanval stilviel. Maar gelukkig kwam toen de tank D17 naar voren, dreunend en schietend rolde hij de hoofdstraat van het kapot geschoten Flers binnen, daar minderde hij vaart en spuwde vuur uit zijn kanonnen. Drie andere tanks, de D6, de D9 en de D16, waren evenwijdig hieraan aan de oostzijde Flers binnengedrongen en bestookten er de Duitse posities. Deze gedurfde opmars van de tanks zorgde ervoor dat de Britse infanteristen juichend uit hun dekking tevoorschijn kwamen en zo lopend achter de Dl7 het opruimingswerk voltooiden. Flers was het enige punt waar in er in de ochtend van 15 september enige vooruitgang was. Daar stootten de vier tanks van het D-eskadron door in de richting van Gueudecourt en de naburige Duitse loopgraven, maar de Britse infanterie had het toen al laten afweten. De Britse manschappen die door zware verliezen onder de officieren nagenoeg zonder leiding in Flers waren achtergebleven, konden nog net op tijd de verdediging organiseren om er weerstand te bieden aan een Duitse tegenaanval. Intussen waren twee van de doorgestoten tanks van het D-eskadron vlak bij Gueudecourt door Duitse veldartillerie getroffen en uitgeschakeld. Eén slaagde er nog in het dorp binnen te dringen maar werd toen definitief tot staan gebracht. De vierde tank keerde daarop terug naar Flers.

 

Om 15.00 uur gaf de Britse generaal Henry Rawlinson het bevel om de operaties stop te zetten en een reorganisatie tot stand te brengen. De aanvallen gingen nog enkele dagen door maar liepen dan toch vast op 18 september. Op 22 september voerde men nog een offensief uit waarbij er een Britse tank verantwoordelijk was voor het vernietigen van een Duitse veldbatterij, en die dan binnen een uur twee kilometer loopgraaf veroverde, er werden toen ook 400 Duitsers krijgsgevangen. Tijdens deze actie verloor de tankbemanning vijf man. Vanaf 25 september kwamen er geen nieuwe aanvallen meer en groeven de legers zich opnieuw in. Op sommige plaatsen had men zeven kilometer terreinwinst geboekt.

 

Luitenant Montague Cleeve van het Royal Garrison Artillery zag een tank in actie en beschreef het gebeuren als volgt: Ik herinner me dat ik er één in actie zag in Pozières, hij kroop op en neer, viel in granaatkraters en klom eruit, dook in weer een andere en dan weer naar boven, maar dat lukte niet helemaal. Dat bood de Duitsers de kans die ze nodig hadden om hun mitrailleurs erop te richten, zodat de tank algauw een compleet wrak werd doordat iedereen hem beschoot. Ik weet niet wat er met de bemanning gebeurde….

 

Het was duidelijk dat het tankwapen nog in zijn kinderschoenen stond en er moest nog veel ervaring worden opgedaan met dit nieuwe wapen. Meer dan twee derden van de ingezette tanks had door mechanische problemen nauwelijks een bijdrage kunnen leveren aan de strijd. Ondanks alles hadden ze indruk gemaakt op Haig en hij bestelde 1000 stuks! Wel was duidelijk geworden dat op langere termijn de manier van oorlog voeren door de uitvinding van de tank nooit meer dezelfde zou zijn. De eerste reactie van het Duitse opperbevel was dat men de tank makkelijker kon uitschakelen dan namaken!

 

Meer artikels
Fifteen Ravine British Cemetery. 12-03-2018
Villers-Plouich Frankrijk.

De naam “Fifteen Ravine" werd bedacht door het Britse leger.

lees meer ...
Household Cavalry 'Dieu et Mon Droit'. 01-05-2017
Zandvoorde (Zonnebeke) Belgiƫ.

Tijdens  de gevechten van  30 oktober 1914 werden  de hellingen ten zuiden en zuidoosten  van  Zandvoorde  verdedigd door de 7th Cavalry (Household) Brigade, deze werd versterkt met het gemengde bataljon Household Cavalry van de 4th Brigade.

lees meer ...
Crypte Ijzertoren 'Steen van Merkem'. 16-10-2017
Diksmuide Belgiƫ.

 

“Hier ons bloed, wanneer ons recht''.

lees meer ...