Ploegsteert  (Comines-Warneton) België.
'Piper'.
Ploegsteert (Comines-Warneton) België.

Bij Britse herdenkingsceremonies, zijn de Schotse pipers (doedelzakspelers) steeds een meerwaarde die voor een kippenvelmoment zorgen. Vooral als de Scottish Highland bagpipes de hymne Amazing Grace gaan lamenteren, dan pinken vele naverwanten, een traantje weg. Ook tijdens de oorlog sleepten de Schotse eenheden hun bagpipes (doedelzakken) mee naar het front. Daar bespeelden de schotse pipers hun instrument als ze naar de voorste linies trokken of op de terugweg naar hun rustplaats. Blijkbaar bespeelden een aantal pipers hun instrument er ook af en toe in levensgevaarlijke situaties.

 

Eén van die pipers was James Cleland Richardson, of Jimmy voor de vrienden. James was de oudste zoon van David en Mary Richardson en werd geboren op 25 november 1895 te Bellshill, Lanarkshire (Schotland). Hij had twee broers en vijf zussen. De familie woonde toen in Rutherglen waar vader David politie-inspecteur en Fire Chief was. In 1911 of 1912 emigreerde een deel van het gezin naar Canada, in loop van 1913 kwam dan ook de rest van het gezin over naar dit Britse dominion in Noord-Amerika. Ze woonden eerst in Vancouver, toen vader David de nieuwe politiechef van Chilliwac werd,  verhuisde het gezin naar Chilliwac. James en zijn zus Mary bleven echter in Vancouver. James liep daar toen stage als elektricien. In 1914  trad James toe tot  de Vancouvers  Cadet Corps Pipe Band die deel uitmaakte van het 72e Bataljon, Seaforth Highlanders. Hij wou er vooral zijn vaardigheden op zijn lievelingsinstrument, de Scottish Highland Bagpipe, perfectioneren. James Richardson bleek een uitstekende piper te zijn. Op 1 juli 1914 veroverde hij op de Schotse sportdag in de Canadese stad Victoria drie maal een eerste plaats in de doedelzak-competitie. Dat zelfde jaar won hij ook de eerste prijs op de Schotse Highland Games die plaatsvonden in Brockton Point.

 

 

Na het uitbreken van de oorlog vertrok James samen met het 1e detachement van het 72e Seaforths naar Valcartier, Quebec. Daar absorbeerde het nieuw gevormde 16e bataljon van het Canadese expeditieleger het detachement. James was nu piper van het 16e (Canadese) Schotse bataljon van het Canadian Expeditionary Force, en in die hoedanigheid zou James Richardson later onderscheiden worden met het Victoria Cross. De hoogste militaire onderscheiding van het Britse Gemenebest. Hij verdiende die onderscheiding op 8 oktober 1916. Hij bevond zich toen in de Franse loopgraven aan de Somme, in Regina Trench. Nadat de compagnie van James uit de loopgraaf was geklauterd werden de manschappen er opgehouden door de concentraties van Duits prikkeldraad die onvoldoende beschoten waren en die te gevolge nog redelijk  intact waren. De Canadezen lagen er onder een intens vijandelijk vuur. De compagniecommandant sneuvelde. De eenheid verkeerde in een kritiek moment. Het aantal slachtoffers liep op en het moreel zakte alsmaar verder weg. James zag de problemen en vroeg aan de sergeantmajoor van de compagnie of hij op zijn bagpipe mocht spelen om zijn kameraden aan te moedigen. De onderofficier stemde toe. James richtte zich op, en volledig blootgesteld aan het gevaar liep hij koelbloedig,  spelend op zijn instrument, op en neer langsheen de prikkeldraad. De weeklagende tonen die James uit zijn doedelzak toverde zouden gedurende ongeveer 10 minuten hoorbaar zijn. De overlevenden en lichtgewonden geraakten bevrucht door zijn prachtige voorbeeld en de tonen van zijn instrument, ze raapten hun moed bijeen en stormden nu succesvol voorwaarts. Ze overwonnen de voor hen liggende obstakels en veroverden de vijandelijke positie. James’ ongelooflijke moed had er voor gezorgd dat de Canadese Schotten zichzelf, met de blote hand en draadscharen, een weg hadden gebaand door prikkeldraad. Daarna kregen ze ook nog de hulp van handgranaatwerpers, één van hen was James. Die ochtend zag majoor Cyrus Peck, de tweede in bevel bij het bataljon,  James Richardson bezig in actie voor de prikkeldraad en beschreef het als één van de grote daden van de oorlog: "De omstandigheden waren die van een onbeschrijfelijke gevaar en terreur. De hele ziel van de jongen was verweven in de glorie van zijn instrument." (Majoor Cyrus Peck zou later in de oorlog op 2 september 1918 ook een VC toegekend krijgen). Deze moedige daad zou James de postume toekenning van een VC opleveren.

 

 

Later, nog dezelfde dag, hielp James er een gewonde officier en gewonde soldaten en hij escorteerde ook vijandelijke gevangenen naar het achtergelegen gebied. Plots besefte James dat hij zijn doedelzak ergens had achtergelaten en trok op zoek naar zijn instrument. Doch men zag hem nooit meer terug! Men vermoedt dat hij stierf op 9 oktober’16. In april 1919 mochten David en Mary Richardson het aan hun zoon postuum verleende Victoria Cross ophalen in Victoria. Na hun terugkomst werd het ereteken uitgestald in een winkelraam in Chilliwack. In 1920 vond men de stoffelijke resten van James terug, hij werd begraven in het Adanac Military Cemetery (plot III, Rij F, graf 36) (Adanac = Canada maar vanachter naar voren). Richardson was 20 jaar oud toen hij verdween in het oorlogsgeweld.

 

 

 

Lange tijd veronderstelde men dat James Richardson’s muziekinstrument verloren was gegaan in de modder van de Somme. Maar 86 jaar later, in 2002, toen de Pipe Major ( = de leidinggevende muzikant van een pipe band) van het Canadian Scottish Regiment (Prinses Mary's) op een internetbericht reageerde zou daar verandering in komen. Hij ontdekte dat de Ardvreck preparatory school in Schotland in het bezit was van een set van doedelzakpijpen die bekleed waren met de unieke Lennox tartan, het dezelfde tartan gebruikt door de pipers van het 16de (Canadian Scottish) bataljon. Tartan was (is) een geruite wollen stof waarmee de  Schotse kilt en trews gemaakt werden, iedere Schotse clan had zijn eigen tartan. Een Britse legerkapelaan, majoor Edward Yeld Bate, vond in 1917 de met modder besmeurde bagpipes en bracht ze na de oorlog mee naar huis, naar een school in Schotland waar hij leraar was. Het instrumenten bleef er gedurende enkele tientallen jaren ongeïdentificeerd liggen, en diende er als een gebroken, met modder aangekoekt en met bloed bevlekt aandenken aan een onbekende piper uit de grote oorlog.  

 

Andrew Winstanley van de Canadese Club en Pipe Major Roger McGuire waren grotendeels verantwoordelijk voor het onderzoek bij het identificeren van de overblijfselen van James Richardson’s instrument. Met de steun van de Canadese Club en een groep patriottische burgers reisde Pipe Major McGuire in januari 2003 naar Schotland om er te helpen bij de identificatie van de doedelzakpijpen, die gedurende meer dan zeven decennia waren tentoongesteld op Ardvreck School in Crieff, Perthshire, Schotland.

 

Tomas Christie, een studentenvader en ook piper, was ondertussen ook al begonnen met het zoeken naar de oorsprong van de doedelzakpijpen. Hun collectieve inspanningen resulteerden tot een overtuigend bewijs dat dit de resterende stukken waren van het instrument dat piper James Richardson op die noodlottige dag in 1916 had bespeeld. Een anonieme schenker vergemakkelijkte de aanschaffing van het historische muziekinstrument. In oktober 2006 trok een Canadese groep hoogwaardigheidsbekleders naar Schotland om er de resten van de doedelzak in ontvangst te nemen en die naar Canada te repatriëren. Op 8 november 2006 werden de resten van het instrument officieel gerepatrieerd door manschappen van het Canadian Scottish Regiment ( Princess Mary’s) en werd het in het Britisch Columbia Legislature (parlement) tentoongesteld. Piper  James Richardson wordt ook in Chilliwack herdacht, daar plaatste men een groot bronzen standbeeld. James werd één van de meest beroemde doedelzakspelers in de Canadese en Britse militaire geschiedenis.

 

 

Deze  piper James Cleland Richardson VC kreeg het prestigieuze Victoria Cross, maar een andere Piper,  een vriend van Richardson  die diende in het zelfde Canadese bataljon geraakte zo goed als vergeten. Die andere kerel was Angus Morrison. De twee bevriende pipers sneuvelden op het slagveld, maar over Angus weet mem eigenlijk niet veel meer. De enige nog bestaande herinneringen aan piper Morrison zijn een fletse foto en zijn beschadigd muziekinstrument dat tentoongesteld word in het Seaforth museum in Vancouver. Hoewel hij volgens bepaalde bronnen ongeveer dezelfde moed toonde als zijn vriend James Cleland Richardson, zou hij toch geen Victoria Cross toegekend krijgen en in de vergetelheid verzwinden. Waarom? Wel het antwoord is simpel, het verhaal van Angus is contradictoir!

 

Robert MacDonald, de historicus van het Seaforth Highlanders Regiment, beweerd dat piper Angus Morrison sneuvelde tijdens de aanval op Festubert in mei 1915, en dat terwijl hij er spelend op zijn instrument zijn compagnie in de aanval begeleidde. De beschadigde doedelzak van Angus werd op het slagveld opgeraapt door de Pipe Major, het werd verpakt in een doos en geschonken aan zijn familie. Ergens in de jaren 1920 doneerde zijn familie het beschadigde instrument aan de Seaforth Highlanders. Jarenlang lag het ondertussen vergeten geraakte muziekinstrument ergens tussen allerlei memorabilia van het regiment, gelukkig werd het nog teruggevonden. De instrumentzak van de pipe vervaardigt in het tartan van de Seaforth Highlanders was verkleurd door bloed en modder en doorzeefd met gaten, het ivoor en de African Blackwood chanter en de drones waren in stukken verbrijzeld. Gezien de staat van de doedelzak was het zeker dat de man die dit instrument vasthield op slag dood moet geweest zijn. Angus werd, aldus toch volgens historicus MacDonald, zo goed als zeker gedood door de splinters van een explosieve artilleriegranaat die vlak bij hem ontplofte.

 

Doch een ander verhaal vertelt ons dat Angus Morison vechtend stierf, maar dan  wel met een geweer met bajonet in de hand, en dat hij geen doedelzak bespeelde tijdens de aanval. De Amerikaanse filmmaker Ian Williams, die onderzoek deed voor het maken van een driedelige serie over de pipers in Canadese en Britse regimenten die beloond werden met een VC, onderzocht ook de levenswandel van Richardson en Morrison en wierp een twijfel over de versie van historicus Robert MacDonald. Dit verhaal van de filmmaker werd ook bevestigd door majoor William Rae. Rae was tijdens de aanval in 1915 een van compagniecommandanten van de Canadese Schotten, en beweerde dat ze geen pipes mee hadden tijdens de aanval op Festubert.

 

Ook een  brief van  James Richardson  bevestigde de verhaalversie van de Amerikaanse cineast. In een brief gedateerd op 20 augustus 1915 schreef hij: “Mijn lieve moeder... Ik heb niets gehoord van een piper die speelde tijdens een aanval, waarlijk ik denk niet dat er ooit een dergelijke gebeurtenis zal plaats vinden. Stel je voor dat een man, staande op volle hoogte, doedelzak speelt terwijl hij geconfronteerd word met mitrailleurs, geweren, bommen, shrapnel enz. Hoe lang zou hij standhouden? Hoe dichter je tijdens een aanval de grond knuffelt hoe  beter dat is voor jezelf en hoe slechter voor de vijand. Dit is helemaal geen oorlog het is een conceptuele slachting”… Raar dat James het toen onwaarschijnlijk vond dat er ooit iemand een dergelijke stoutmoedige daad zou stellen, want een jaar later zou hij het zelf doen! Wat was er veranderd? Gewenning aan het dagelijkse gevaar?...

 

Dat de doedelzak van Angus Morrison beschadigt werd wil niets zeggen, het instrument kon ook in een opslagplaats door een voltreffer geraakt zijn pretendeerde cineast Williams. Maar historicus MacDonald was het daar uiteraard weer niet mee eens. Hij repliceerde dat het in dat geval hoogst onwaarschijnlijk zou zijn dat men de restanten van het instrument dat beschadigd werd in een opslagplaats zou hebben verzameld en dat men de moeite zou gedaan hebben om het naar Morrisons familie op te sturen. “Soldaten waren goed in het weggooien van dingen, vooral als het beschadigd was. Het verzamelen van die doedelzakpijpen was iets wat een soldaat zou hebben gedaan voor een andere, en dat na een gevecht," beweerde MacDonald overtuigd.

 

Ook over de afkomst van Angus bestaat er discussie. De cineast Williams gelooft dat hij geboren werd in Inverness-Shire, en dat op de 1e november van 1882. Op een bepaald tijdstip trok Angus dan overzee naar Canada en werkte er als houthakker. Angus sprak Gaelic (=Schots-Gaelisch) en Engels. Hij liet zich vrijwillig inlijven bij het 72e Seaforths.

Volgens historicus MacDonald kwamen er tijdens de aanval  te Festubert , waar Angus zou sneuvelen, blijkbaar drie Angus Morrisons om het leven. Ze dienden alle drie bij de zelfde eenheid, dus was het achteraf moeilijk om juist te weten wie dat wie was. MacDonald gelooft dat Angus Morrison een Métis (mesties) was. De Métis was een bevolkingsgroep in Canada die afstamde van de inheemse (indiaanse, nu spreekt men van First Nations) volkeren en van Franse, Schotse en Engelse pelshandelaren en kolonisten. O.a. de Cree maakten deel uit van de grootste oorspronkelijke bevolkingsgroepen in Canada. Hiervoor baseert historicus MacDonald zich op de foto van Angus daarop ziet men dat Angus een donkere huidskleur heeft, ook zijn werk suggereert een inheemse afkomst. Schotten die hier werkten voor de Hudson's Bay Company huwden inheemse vrouwen,   het merendeel van hen keerden dan samen met hun gezinnen terug naar Schotland. Het is geweten dat in delen van de Schotse hooglanden Cree (indiaanse taal) en Bungee (een mengeling van Cree en Schots-Gaelisch), werd gesproken. "Het is fascinerend om te denken dat iemand met deze achtergrond naar Canada  kwam en zich aan bij het regiment aansloot " zei MacDonald.

 

Zoals al vaak gezegd blijkt ook hier weer dat het achterhalen van juiste geschiedkundige feiten niet altijd eenvoudig en exact kunnen ingevuld worden, maar ook dat heeft zijn charmes!

Meer artikels
Nécropole Nationale de Notre-Dame de Lorette ' Sergeant Vincent Juvénal'. 26-10-2015
Ablain-Saint-Nazaire Frankrijk.

Een van de namen rechts van het crucifix, is die van sergeant Vincent Juvénal. 

lees meer ...
Aurisina Österreichisch-ungarischer Soldatenfriedhof. 08-08-2016
Aurisina Italië.

Op deze begraafplaats begroef men de Oostenrijks-Hongaarse militairen die, tussen 1915 en 1917, in het gebied dat zich uitstrekte van Monfalcone tot Monte Ermada het leven lieten.

lees meer ...
Kerstbestand aan de IJzer. 22-12-2014
Diksmuide België.

Kerstdag, de eerste Kerst aan het IJzerfront. De Duitsers, aan de overkant  van het water, zongen ‘Stille nacht, heilige nacht’ en riepen ‘Vrolijk Kerstfeest’!

lees meer ...