Bailleulmont Communal Cemetery Frankrijk.
Pte. Albert Ingham 'Shot At Dawn’.
Bailleulmont Communal Cemetery Frankrijk.

De kleine gemeentelijke begraafplaats van Bailleulmont ligt, een beetje verloren, in de heuvels net buiten het dorpje. In deze cimetière communal is een hoekje ingeruimd voor enkele tientallen Britse jongens, ja slachtoffers uit de Eerste Wereldoorlog. De goed herkenbare Britse grafstenen, hier vervaardigt uit zandsteen uit het Schotse Locharbriggs i.p.v. in de gebruikelijke Portland Steen, staan er netjes bij. Onder aan de voet van een headstone staat een witkruisje met daarop een klaproos. Onder de steen rusten de stoffelijke resten van Albert Ingham, in het register staat te lezen dat Private (soldaat) Ingham overleed ten gevolge van schotwonden. Maar de epitaaf die op de grafsteen gebeiteld staat brengt ons de ware toedracht van Alberts dood bij. Op de steen staat te lezen:

 

S H O T A T D A W N
ONE OF THE FIRST TO ENLIST
A WORTHY SON
OF HIS FATHER

 


Deze grafinscriptie werd er in gebeiteld op vraag van zijn furieuze, maar liefhebbende vader, die pas na de oorlog door zijn zoons vrienden de schokkende waarheid over Alberts dood vernam. Albert stierf inderdaad aan schotwonden, doch niet door vijandelijke maar wel door die van een executiepeloton bestaande uit soldaten van zijn eigen bataljon. Hij werd op 1 december 1916  bij zonsopkomst gefusilleerd, of  zoals de Britten  het  zelf formuleerden: “ he was shot at dawn.” Twee jaar eerder behoorde Albert bij de eerste Britten die vrijwillig dienstnamen, en ondanks de roddel en de minachting waarmee men over de laffe gefusilleerde deserteurs sprak bleef zijn minnende vader toch trots op hem.

 

Albert Ingham was de zoon van George en Eliza Ingham uit Atherton Cottage in Lower Kersal.   Samen met zijn beste vriend Alfred Longshaw werkte hij als klerk bij de Salford Goods Yard van de Yorkshire Railway Company. De twee boezemvrienden waren zo onafscheidelijk dat ze besloten om, op 5 september 1914, samen vrijwillig dienst te nemen in het Britse leger. De jonge mannen kwamen er terecht bij een van de Kitchener’s “Pal’s Battalions” namelijk bij het 18e bataljon van het Manchester Regiment (3rd Manchester City Battalion). De “Pals Battalions (bataljons van vrienden) van het Britse leger werden speciaal opgericht en bestonden uit mannen die samen ingelijfd waren in lokale rekruteringbureaus, zij kregen er de belofte dat zij er samen zouden kunnen dienen met hun familie, vrienden, buren en collega's ("pals"), in plaats van willekeurig toegewezen te worden aan een aselect bataljon. Net als zoveel Pal Battalions knokte deze eenheid zich doorheen de Sommeslag. De twee vrienden maakten er deel uit van het 11e   peloton   van de C compagnie.

 

In die gruwelijke reeks van opeenvolgende gevechten in het Sommegebied zagen Albert en Alfred de meeste van hun kameraden breken, verwond worden of sneuvelen! De twee soldaten namen actief deel aan de strijd en werden op een bepaald moment dan voor loopgravendienst overgeplaatst naar de mitrailleureenheid van de brigade, de 90th Company van het Machine Gun Corps.

 

Maar liever dan nog een angstaanjagende dag van dood en verderf te ondergaan aan het front, besloten de twee maats om hun kans te wagen en trachten om te ontsnappen aan de idiotie van de oorlog. De jongens trokken onderweg een aantal burgerspullen aan en geraakten zo tot in de haven van Dieppe waar ze probeerden aan boord van een schip te komen en mee huiswaarts te varen. De afwezigheid van de twee werd opgemerkt na het avondappel van 5 oktober ’16. Na hun arrestatie werden ze geconfronteerd met de militaire krijgsraad, hun verhoor leverde een intrigerend inzicht van de geestgesteldheid waarin de twee op dat moment verkeerden.

 

Bij hun proces werden er getuigen opgeroepen, een van hen was sergeant H. Emnett van het Intelligence Corps ( inlichtingendienst) van de basis in Dieppe. Op het proces deelde de sergeant mee hoe hij Albert had opgemerkt en ook wat  de vaandelvluchtige hem had verteld tijdens het verhoor:

      “Op 1 november 1916 omstreeks 9u30 was ik van dienst om de inschepingen in de haven te controleren, en trok ik naar het Zweedse schip Belleville. Daar zag ik de verdachte. Wetend dat hij niet bij de oorspronkelijke bemanning behoorde vroeg ik hem naar zijn identiteit. Hij zei, ik ben een Amerikaan. Ik verliet Amerika ongeveer elf maanden geleden. Daarna weigerde hij om nog andere vragen te beantwoorden. Ik was niet tevreden en nam hem mee naar het bureau van de inlichtingendienst waar ik hem verder ondervroeg. Het enige wat hij zei was, mijn naam is Sam Bostock, ik ben een Amerikaans burger en ik weiger om u enige gegevens over mezelf te geven. Nog dezelfde dag omstreeks 15 uur zag ik de verdachte opnieuw. Ik zei tegen hem, ik wil je opnieuw verhoren Ingham. Ok, zei hij, ik zal je alles vertellen. Mijn naam is Ingham en behoor tot het Manchester Pals bataljon en werd toegevoegd aan een Machine Gun Corps (mitrailleureenheid). Na mijn meeste kameraden te hebben verloren moest ik daar samen met Longshaw weg geraken.”

 

Verder vertelde Albert ook nog hoe ze in Dieppe waren geraakt:

    “In Buire verlieten we op 5 of 6 oktober, omstreeks 22u30, ons verblijf en begaven we ons naar de kust. We verstopten ons overdag en reisden ’s nachts. We bezorgden ons zelf wat kleren in een van de dorpen waar we passeerden, en een week geleden arriveerden we dan in Dieppe. Sindsdien werkten we aan de schepen. Niemand aan boord wist wie wij waren. Verder vonden we nog enkele oude jassen en hoofddeksels op het schip, die droegen we, en gooiden het uniform in het dok. Ik vertrok met mijn vriend, ten eerste om de familie thuis te zien en om dan te proberen in de marine te geraken, samen bij mijn broer die daar dienst doet (Albert wou dienst nemen in de Royal Navy en zo verder deelnemen aan de oorlog). Op dat moment was ik beroerd door het verlies van mijn vrienden. Via twee van mijn kameraden vernam ik slecht nieuws en was ik ongerust over mijn moeder thuis.”

 

Vanwege zijn twaalf maanden dienst in Frankrijk en zijn voormalig goed gedrag vroeg Albert om genade en smeekte hij om een kans om dit te kunnen rectificeren. De krijgsraad trok zich terug om te beraadslagen en om tot een verdict te komen. Na enige deliberatie en omdat dit volgens de leden van de krijgsraad een duidelijk geval van opzettelijke desertie was, recommandeerde men een extreme straf. Er waren volgens de leden van de krijgsraad geen verzachtende omstandigheden in deze zaak en daarom werd er ook geadviseerd dat de straf zou worden uitgevoerd. Het vonnis was dan ook geen verassing, beide mannen hoorden tijdens de uitspraak dat ze op 28 november 1916 bij dageraad (shot at dawn) door een vuurpeloton zouden gefusilleerd worden. Doch de twee zouden twee dagen later dan voorzien, op 1 december, terechtgesteld worden ( hoewel volgens een korte verklaring van de kapitein van de compagnie werden de twee vrienden toch op 28 november 1916 om 7u12, de kapitein verklaard ook dat hij persoonlijk aanwezig was op de executie?)

 

Op 30 november, de avond voor zijn executie schreef Albert zijn testament: “ In het feit van mijn dood geef ik het geheel van mijn eigendom en waardepapieren aan mijn moeder mevrouw G E Ingham, Atherton Cottage, Littleton Road, Lower Kersal, Manchester. Albert Ingham, Private No 10495, 18th Manchester Regiment.

 

Na hun terechtstelling werden de vrienden zij aan zij begraven op de begraafplaats van Bailleulmont, Albert was 24 en Alfred 21. Nu rusten zij in er in graf B12 en B13. De twee werden uiteindelijk in augustus 2006, samen met 304 ander gefusilleerde militairen, gepardonneerd. Alberts grafsteen is de enige “shot at dawn” waarop het duidelijk vermeld staat dat hij gefusilleerd werd!

 

 


Een rij verder dan waar Albert en Alfred nu rusten ligt, in graf A7, soldaat William Hunt. Net als de twee vrienden diende hij het 18e bataljon van het Manchester Regiment, en ook hij was al van vroeg in de oorlog actief aan het Franse front. William werd ronddolend en verward op het slagveld aangetroffen, dat werd als desertie beoordeeld. Hij was al een paar maal gestraft voor ongehoorzaamheid en dat deed zijn casus zeker geen goed. Tijdens zijn proces op 22 oktober 1916 kwam zijn bevelvoerende officier hem beschrijven als een behoorlijke soldaat. Doch dat positieve testimonium en een verzoek om genade mochten niet helpen, hij zou op 14 november ’16 gefusilleerd worden. Omdat de 20-jarige jongeman op het ogenblik van zijn executie nogal tegenspartelde werd hij eerst met armen en benen aan een stoel vastgebonden. Daarna frutselde de bevelvoerende officier een witte zakdoek tussen Williams overhemd, dat om het mikpunt aan te geven. Maar de meesten van het twaalfkoppige executiepeloton waren bevriend met de jongen en schoten opzettelijk mis zodat de jongen na het salvo nog leefde en dat de officier hem met een pistool een genadeschot moest geven. Williams grafsteen wijkt niet af van die van de ander gevallenen naast hem. Nergens kan men lezen dat deze jongen niet sneuvelde, maar geëxecuteerd werd bij zonsopkomst.

 

In graf C7 ligt Guardsman Benjamin O'Connell van het 1e bataljon Irish Guards. Hij stief op 23 jarige leeftijd op 8 augustus 1918, ook hij was een shot at dawn'!  To be shot at dawn  is een uitdrukking die steeds terugkeert in de vonnissen van de Britse krijgsraden die zo meedogenloos met de zo gezegde “lafaards' afrekenden”. Die executies, die steevast voltrokken werden bij dageraad waren blijkbaar nodig om de anderen aan te moedigen, dat was toch wat men dacht, of toch vooral door diegenen die ver en veilig achter het front vertoefden.

Een executiepeloton bestond uit zes tot twaalf man, zij hadden de taak om een doodvonnis te voltrekken. Bij dageraad werd de veroordeelde geblinddoekt en aan een paal of op een stoel vastgebonden. Om het richten te versimpelen kreeg hij een witte doek of een stuk wit papier op zijn hart gespeld. Om dramatische scènes te voorkomen werd de veroordeelde soms al vooraf met drank of morfine verdoofd. Voor leden van het vuurpeloton was dit een traumatische gebeurtenis. Ze werden gedwongen om een medestrijder, een kennis, een vriend te executeren. Velen van hen kregen hierdoor na de oorlog last van nachtmerries. Eén keer heeft een executiepeloton geweigerd te schieten en moest de officier toen zelf de executie voltrekken met een nekschot, dat is een vertelling dat vaak verteld word, maar of dat klopt, bewijzen zijn er niet! Zelden was de veroordeelde op slag dood en daarom riep één veroordeelde, toch volgens het verhaal dat nu en dan weer opduikt, "In godsnaam, schiet raak!" Voormalig officier van de inlichtingendienst MI-5, John Hughes Wilson, beweerde over de executies: “ Het is een waarschijnlijk een Hollywood verzinsel dat de verantwoordelijke officier luidkeels het bevel tot vuren gaf. Het bevel om te vuren werd met handsignalen gegeven. Het slachtoffer wist niet wanneer het ging gebeuren."

 

 

 

 

 

 

 

Meer artikels
Twelve Tree Copse Cemetery ' A. V. Smith VC'. 21-12-2015
Krithia Turkije.

Op Twelve Tree Copse Cemetery in Gallipoli vinden we o.a. de laatste rustplaat van Alfred Victor Smith VC.

lees meer ...
Il Granatiere del Cengio. 23-05-2016
Monte Cengio Italië.

Dit monument ter ere van de Grenadiers is vervaardigd uit fragmenten van oorlogsschroot, van  o.a. ontplofte shrapnels, en bevind zich naast de kapel vlakbij de top van 'Monte Cengio'.

lees meer ...
Menenpoort 18-09-2017
Ieper België.

Drie Australische broers George Ross (schilder), Theodore Leslie (brandweerman) en William Keith(telefonist) Seabrook meldden zich vrijwillig aan bij het leger.

lees meer ...