Ploegsteert  (Comines-Warneton)  België.
Prowse Point Military Cemetery.
Ploegsteert (Comines-Warneton) België.

Dat het leven in een loopgraaf niet aangenaam was is een evidentie. Tenslotte was een loopgraaf slechts een in de grond gegraven gat of geul waarin de militairen konden schuilen, en waarin ze moesten proberen te overleven. Vooral de verveling was er bovenmaats. De mannen zaten soms uren in hun loopgraaf zonder dat ze er wat zinnigs konden doen. Vooral de winterkou was er erg, soms vroor het wel tot -20 graden. Door een gebrek aan een algemene hygiëne maar ook door de aanwezigheid van voedselvoorraden, etensresten en allerlei ander restafval waren de loopgraven een oerbron voor ongedierte. Ook de lijklucht en de menselijke resten van hen die in de loopgraven omkwamen en vlakbij werden begraven zorgden voor veel ongedierte in de loopgraven. Het wemelde er van de luizen, vlooien, muggen en ratten. Al dit ongedierte vormde er voor alle strijdende partijen een gemeenschappelijke en verfoeide vijand. Het grote aantal rottende lijken zorgde ervoor dat de ratten er dagelijks konden eten naar hartenlust en dat ze zich er enorm snel konden voortplanten. Ratten, soms bijna zo groot als volwassen katten waren er een ware verschrikking! Hoe meer doden er na een mislukte aanval in het niemandsland achterbleven, des temeer ratten verschenen er rond en in de loopgraven. Verontwaardigd zagen de frontstrijders de ratten in het niemandsland smullen aan de lijken van hun vijanden, maar ook aan die van hun vrienden. In een jaar tijd kan een koppel ratten 880 nakomelingen produceren, dus zorgde hun voortplantingsdrang al vlug voor een exuberante hoeveelheid ratten aan het front.

 

Een brits soldaat beschreef het vinden van een groep van dode lichamen terwijl hij op patrouille was: "Ik zag sommige ratten lopen onder de soldatenjassen van de dode mannen, enorme ratten, vet van het menselijk vlees. Mijn hart bonsde toen we één van de body’s naderden. Zijn helm was weggerold. De man vertoonde een grijnzend gezicht, ontdaan van vlees, de schedel was kaal, de ogen waren verslonden, uit de gapende mond sprong een rat."

 

Ook in de loopgraven en in schuilplaatsen krioelde het van de ratten, ze teisterden er de soldaten terwijl ze sliepen, maar ze pikten ook hun eten. Na de oorlog vertelden de oud-strijders vaak gruwelverhalen over de hordes piepende beesten die aan alles knaagden wat ze aantroffen. Van zeep tot brood, van menselijke resten tot aan de neus van een slapende militair. De ratten veroorzaakten niet alleen ongemak en afschuw, zij waren ook de dragers van heel wat ziekten. Katten en andere huisdieren die uit de verlaten dorpjes kwamen, werden door de soldaten vertroeteld. De soldaten  vonden bij deze dieren troost, ze werden echter ook ingezet bij de rattenjacht.

 

Robert Graves schreef in zijn boek, Goodbye to All That: “De ratten kwamen van aan het kanaal, gevoed door de overvloedige lijken, en buitengewoon vermenigvuldigd. Terwijl ik hier verbleef met de Welch, kwam een nieuwe officier de compagnie vervoegen en als teken van welkom kreeg hij een uitgegraven schuilplaats met een veer-bed. Toen hij die nacht in zijn bed kroop hoorde hij een geschuifel, hij scheen zijn met zaklamp op het bed en vond er twee ratten op zijn deken die aan het worstelen waren voor een afgehakte hand. "

 

 

'De dode Duitser'  een iconische, confronterende foto genomen door de fotograaf luitenant Ernest Brooks in november 1916. Het skelet van een Duitse soldaat buiten een dugout in de buurt van Beaumont Hamel. Hij was slechts enkele dagen ervoor gesneuveld. In die korte tijd hebben de ratten zich reeds tegoed gedaan aan het menselijk vlees,...

 

Een Franse poilu schreef: “Wanneer het rustig is aan het front, is de rat onze grootste vijand. Hij is overal en vreet alles op wat je niet aan een ijzerdraad hebt opgehangen. Toen ik op een avond mijn schoenen had uitgetrokken, werd ik wakker door een rat die aan mijn tenen knaagde. ” Een andere soldaat vertelde: “De ratten, in ontelbare hoeveelheden, zijn meester van de stelling. De nachten zijn verschrikkelijk. Ik bedek me van onder tot boven met mijn tentzeil, overjas en deken, toch voel ik ze voortdurend op mijn lichaam. Nadat ze alles hebben opgegeten: brood, boter, chocolade, beginnen ze aan onze kleren. Het is onmogelijk te slapen, honderden malen per nacht sla ik ze van me af, maar altijd komen ze na een paar minuten in groter aantal terug.”

 

De ratten werden een dusdanige plaag dat er heuse rattenjachten werden georganiseerd. Bij de Fransen en de Duitsers werd een premie uitbetaald voor elke rattenstaart die werd ingeleverd! De jacht was dan ook vaak meedogenloos! Wanneer de duisternis viel werd de jacht geopend op de ratten die “en masse” op strooptocht trokken. Ja, de vijand was soms vervelend en ambetant, in de ene sector was er een artilleriebeschieting en in een andere was er een raid of aanval…maar de jacht op het ongedierte ging er van Nieuwpoort tot aan de Zwitserse grens non-stop door, en dat aan de beide zijden van de frontlijn!

 

Pte. David Jones van de Royal Welch Fusiliers tekende deze schets tijdens zijn verblijf in de loopgraven  in Ploegsteert Wood in de winter van 1916. (titel : Rats shot during the pulling down of an old dugout in Ploegsteert Wood )

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Duitse soldaat Fritz Stetefeld, en niet hij alleen, vond de rattenvangst eigenlijk ook een welgekomen tijdverdrijf. Frits verhaalde het als volgt: “ … en zo verliepen de dagen in de eeuwige eentonigheid van de loopgravendienst: eten halen, wacht lopen, de geweerloop schoonmaken en de rattenvangst. Vooral de ratten waren overal op hun onaangenaamst aanwezig. De mannen waren gedwongen om hun broodbuidels aan het plafond te hangen, maar toch lukten de weerzinwekkende beesten er altijd weer in om er de kostbare inhoud buit te maken. Bovendien kenden zelfs de doden geen rust in hun graven, dus kwam er een noodzakelijk bevel waarin de vernietiggingsstrijd van die afschuwelijke beesten aangekondigd werd. Voor iedere dode rat werd er een beloning van 5 pfennig uitgeloofd. Er ontsproot een grote moordpartij, waar iedereen aan meedeed!” Fritz beleefde aan deze rattenoorlog heel wat lol. Met twee vrienden stelde hij een waar oorlogsplan op. De twee moesten in hun schuilplaats de dieren met veel herrie en licht laten schrikken en hen naar de trap drijven waar Fritz dan, aan het eind ervan, met zijn bajonet op de loer zou liggen. De twee drijvers produceerden zo een hels kabaal in de schuilplaats dat de ratten zich als bezetenen op de trap stortten, boven aan de trap had Frits heel wat moeite om ze één voor één te doden. In een uur tijd brachten ze vaak 20 a 25 stuks om zeep, en het spreekt vanzelf dat de gewonnen tegenwaarde van de jachtbuit zo snel mogelijk in geestrijke drank werd omgezet en geconsumeerd. Doordat deze methode snel en overal werd ingevoerd en omdat de stemming dagelijks na het einde van de jacht steeg, dachten de Tommies aan de overkant al snel dat de Duitsers nog in hun overwinningsroes verkeerden. Doch het plezier bleef niet duren: “Maar helaas werd de pret als te duur beschouwd en al na tien dagen kwam er een eind aan de pret. Zonder de aantrekkelijke premie had niemand nog zin om op het wild te jagen. Het was gedaan met te proosten op de bedenker van dit plan dat tien dagen lang als een vrolijke loopgravengroet overal te horen was.”

 

Natuurlijk waren er toch mannen die bleven jagen op dit knagend ongedierte. De Duitser Ignaz Westenkirchner, een vroegere strijdmakker van Adolf Hitler, herinnerde zich nog hoe Hitler verbeten jacht maakte op de ratten in de loopgraven: “ Lang nadat de rest van ons al onder zeil was gegaan, ging Hitler nog met een zaklantaarn rond en spietste hij de ratten op zijn bajonet. Tenslotte kieperde iemand een laars naar zijn hoofd en hadden we eindelijk rust.”

 

Dat ratten terecht als een gezamenlijke vijand mochten beschouwd worden blijkt uit het volgende verhaal: “Toen Britse soldaten in een loopgraaf sprongen zagen ze een gruwelijk tafereel, ze bemerkten een Pruisische officier. Het was een Hauptmann (kapitein). Hij lag met één been in de lucht. Dat been was zodanig opgezwollen dat het er op leek dat zijn broekspijp op het punt stond om open te barsten. Zijn gezicht was ook gezwollen, zijn snor stond nog stijf van de snorrenbaard-was. Op zijn hals zat er een vette volgevreten rat aan zijn gezicht te knagen. De Pruis lag nabij de ingang van een bomvrije schuilplaats waar hij naartoe had willen rennen voordat hij geraakt werd. De aanblik van de dode vijand, met zijn been omhoog en de rat die zat te knagen, zorgde er voor dat iemand zijn afgrijzen uitschreeuwde! Plots begonnen ze allemaal te roepen als krankzinnigen. De rat zette zich recht en keek naar hen. Geschrokken rende het beest naar de ingang van de schuilplaats, maar hij was niet rap genoeg. Tierend en brullend stormde de hele troep het dier achterna. Eén van de Britten wierp zijn helm naar de rat en raakte hem aan zijn achterlijf. De rat krijste, draaide zich om en wou in de helm bijten. Toen sleepte het gewonde dier zich naar de schuilplaats. Met z’n allen gingen ze er achteraan! Daar, in het halfdonker, konden ze de rat vangen en sloegen deze tot een rode brij. Toen werd het stil, de mannen vonden het allemaal een beetje dwaas. Na dit absurde gebeuren verlieten ze de schuilplaats, de verdomde oorlog ging verder. Toen de soldaten er later over nadachten beseften ze dat het er niet toe deed of de rat aan hun maat zat te knagen of aan een verdomde Duitser, het was allemaal hetzelfde. Hun daadwerkelijke vijand was de rat en als ze die daar dan weldoorvoed zagen knagen aan iets wat zijzelf hadden kunnen zijn, dan huiverden ze van dit denkbeeld!

 

Hoe dan ook de ratten hoorden bij het dagelijkse loopgravenleven en waren onuitroeibaar. De mannen aan het front moesten er, willen of niet, mee leren leven. Enkelingen onder hen probeerden het zelfs om de ratten tam te maken. De Duitse soldaat Friederich Knapp herinnerde zich dat dit soms tot een komische situatie kon leiden. Uitgeput en doodmoe zaten hij en zijn kameraden ‘s avonds in de kleine betonnen schuilplaats. Ze hadden net soep gegeten die door hun kameraad Berger was klaargemaakt. In de buurt van de kachel stond nog een open kookpot met daarin de koffie van deze morgen. Eén van de jonge kerels vulde een beker en dronk met volle teugen van de bruine vloeistof. De grimas die op zijn gezicht verscheen was duidelijk: “ Niet te zuipen” mopperde hij! Berger voelde zich in zijn eer als kok gekrenkt en gromde: “Je denkt zeker dat je hier in een duur café bent?” Toen was het de beurt aan Otto. Hij nam een slok van de koffie, maar spuwde die meteen met een boog op de vloer: “ Verdomme ” vloekte Otto. Daarna proefden ook de anderen, maar niemand had een idee naar wat de koffie smaakte. Eén van de jonge kerels dacht de reden gevonden te hebben en riep: “ Mens, er ligt een rat in. Er is een rat in verzopen!” Berger nam een lepel en roerde ermee in de kookpot, als het een rat was dan moest ze er ook nog in zitten. Na wat roeren haalde hij iets langs uit het bruine nat! Met een kreet die als een vreugdeschreeuw klonk kwam één van de mannen naar voor en riep: “ Mens, mijn Piep, dat is mijn Piep. Ik heb hem al de hele dag gezocht!” Met zijn allen grepen ze de man vast en gaven hem op zijn donder, maar dat duurde niet lang want al vlug moest iedereen lachen met dit onsmakelijke voorval.

 

Hoewel vlooien, luizen en ratten  niet graag geziene gasten waren aan het front, toch waren ze in de soldatenrevues zeer populair,  dat word bevestigd in het  volgende  versje:

Ratten zijn ook opgeroepen
Om te vechten met den troep;
Kan 't dan missen dat ze snoepen
van ons brood en van ons snoep.

Zijn de ratten oorlogsdieren,
't Is nog niets bij vlooi en luis,
Want dees kennen geen manieren,
In ons broek, daar zijn ze thuis.

O ratten en muizen,
Ze zitten dag en nacht aan ons brood.
O vlooien en luizen,
Ze bijten ons overal rood.

 

 

Meer artikels
Guards Division War Memorial. 30-01-2017
Londen Verenigd Koninkrijk.

Het Britse leger telde  bij het uitbreken van de oorlog  een aantal Guards (lijfwacht ) regimenten; de  Grenadier Guards, de Coldstream Guards,  de Irish Guards, de Scots Guards en de Welsh Guards.

lees meer ...
Nécropole Nationale de Notre-Dame de Lorette 'Lantaarntoren'. 18-05-2015
Ablain-Saint-Nazaire Frankrijk.

In oktober 1914 slaagden de Duitse troepen van Beierse kroonprins Rupprecht von Bayern niet in om de Franse stad Arras in te nemen.

lees meer ...
Badge Rising Sun. 'Pte F.J. Sleep'. 07-11-2016
Zonnebeke België.

Het wereldbekende insigne van de Australische troepen “the Rising Sun badge” (rijzende zon) was, en is nog steeds, het officiële met trots gedragen insigne van het Australische leger.

lees meer ...