Wijtschate ( Heuvelland)  België.
Oosttaverne Wood Cemetery.
Wijtschate ( Heuvelland) België.

November - december 1916, de manschappen aan het Westfront probeerden zich in de mate van  het mogelijke voor te bereiden op de aankomende winter. De troepen langs beide zijdes gingen zich goed ingraven om zo toch wat beschut te zijn tegen de kou, regen, modder en sneeuw. Allen die de harde winter 16-17 zullen meemaken zouden die nooit meer vergeten. Het  was een heel strenge winter, en de verhalen over de polaire koude, de ijzige wind, van bevroren koffie en extreme lage temperaturen van -20 en meer, en van de geweren die dichtvroren vinden we regelmatig terug in de belevenisverhalen van diegenen die deze vreselijke winter in de open lucht moesten trotseren. In Parijs vroor de Seine dicht, maar ook de vloedlijn en de eerste meters van de Noordzee bevroren.

 

De bittere kou taste het moreel van de troepen aan, Victor Fagence, een soldaat in het Royal West Surrey Regiment herinnerde zich: “De winter van 1916-17 was berucht en een zeer, zeer koude winter. En van mijn kant denk ik dat ik toen proefde van de diepste echte ellende die kon veroorzaakt worden door de kou en al die soort van dingen. In de frontlinie mochten we ons schoeisel niet uit doen. Hoewel, bij één gelegenheid was ik ongehoorzaam. Ik had het zo koud toen ik  van de wacht terug kwam en wij hadden een soort van ondergrondse schuilplaats waarin we konden vertoeven, toen ik daar binnenging, dat was nog voordat er leather jerkins (lederen mouwloze overjassen) werden uitgereikt, lagen er een aantal jassen gemaakt uit schapenvacht. Ik trok mijn gummilaarzen uit en wikkelede mijn voeten in zo een jas uit schapenvacht en probeerde om ze zo toch een beetje op te warmen.”

 

Gedurende de dag maakte het ijzige water het leven miserabel, maar de temperatuurval ’s nachts was nog erger. Nabij het vooruitgeschoven HQ van de Britse 40e divisie had artillerie officier Murray Rymer-Jones een ongebruikelijke manier gevonden om daarmee om te gaan. Een tent met sneeuw op de grond en de vreselijke kou, want er was geen verwarming in de tent, was voor niemand aangenaam. Er was maar een ding dat ze konden doen, zij hadden aan de ingang een dubbel toilet dat rondom om zwaar in de zandzakken verpakt zat, het waren precies twee kleine kamers. En hoewel er geen verbinding tussen de twee was,  kon je toch praten met je buur. Doordat de kamertjes zo dik omringd waren met zandzakken bleef het er redelijk warm, dus bleven de officieren er vele nachtelijke uren op het wc zitten.

 

Voor de Schotse mannen die de winter in hun kilt (Schotse mannenrok) moesten rondlopen was de blootstelling aan het bittere weer vanzelfsprekend ondraaglijk. J Reid onderofficier bij het 6e bataljon Gordon Highlanders vertelde: “Ik kan me de naam van de plaats niet herinneren. Het bataljon was terug op sterkte gebracht en wij trokken frontwaarts. Het was in de maand januari en het was doods koud. We trokken naar Arras, dat was ongeveer 30 a 40 km van de plaats waar we ons bevonden. Wij marcheerden, ik zal me dat altijd blijven herinneren want onze knieën waren bevroren, we wikkelden de gebruikelijk gewone veldverbanden die we bij hadden rond onze blote knieën en benen. Zo probeerden we onze blote benen toch enigszins te beschermen tegen de bijtende vrieskou”.

 

Als het winterweer aanhoudend werd werden de troepen voorzien van warmere kledij. Sidney Amatt van het Essex Regiment noteerde wat zij zoal droegen. “In de winter hadden we onze normale kledij aan. We hadden dik wollen ondergoed en wollen hemden, daarboven droegen we een cardigan (= gebreid vestje)  of pullover en boven dat trokken we dan ons uniform aan. Boven dat alles kwam dan nog onze overjas. Inde winter 16 - 17 kregen we, alleen de mannen die naar het front trokken, een jas uit schapenvacht. Deze Sheepskin jerkin werd boven op onze overjas gedragen. Je kreeg ook handschoenen, grote wanten, maar dat was alleen als je naar de frontlijn trok. Anders kreeg je wollen handschoenen en een wollen sjaal die je hoofd moest bedekken als je je stalen helm had afgenomen.”

 

Bill Haine bevond zich met zijn eenheid, the Honourable Artillery Company, in de sector van de rivier de Ancre (Frankrijk). Ze bevonden zich op een plek die Baillescourt Farm genoemd werd. Zo goed als niemand kon hen komen bevoorraden, en als ze er dan toch eens in slaagden om met drinkwater tot bij hen te geraken dan had dat eigenlijk geen zin, want tegen dat ze hen bereikt hadden was het water al hard bevroren. Het enige wat ze gedurende ongeveer drie dagen konden doen was zuigen aan het ijs, ze sneden hun veldflessen open en zogen het ijs er uit. Op dat moment lag de rivier de Ancre rechts van  hen en elke avond  trokken ze met pikhouwelen naar de Ancre, daar probeerden ze door het ijs te kappen om aan water te geraken, maar dat is hen nooit gelukt.

 

Door de vriestemperaturen werd het voor de mannen zelfs bijna onmogelijk om zich deftig te scheren. Sappeur George Clayton ontwikkelde hiervoor zijn eigen systeem. Hij kapte een handvol sneeuw in een leeg Capstan blikje van 60 sigaretten, plaatste dan een kaars onder het doosje zodat de sneeuw smolt. Zo had hij wat warm water voor zijn scheerbeurt, maar tegen dat hij zich geschoren had was het water weer bevroren, dus moest hij het water opnieuw smelten om er zijn scheerkwast uit te krijgen.

 

De barre weersomstandigheden aan het Westelijk Front hadden ook invloed op de gemotoriseerde voertuigen. Antonia Gamwell die werkte als een ambulancechauffeur bij het First Aid Nursing Yeomanry vertelde: “Natuurlijk was het bitter koud in de winter en konden we de auto’s niet draaiende houden, ik bedoel daarmee dat ze natuurlijk bevroren als we ze lieten bevriezen. Maar we moesten ze op de een of andere manier ambulant weten te houden. We probeerden dat met hete flessen, we plaatsten die bij de motor onder de motorkap, maar het hielp niet. Het was simpel, we moesten wakker blijven en een aantal van ons, zes denk ik, kregen de opdracht om alle motoren van de voertuigen om de twintig minuten aan te zwengelen en om ze zo wat op te warmen.”

 

De Belgische oorlogsvrijwilliger Florimond Pynaert  beschreef deze vreselijke winter van 16 op 1917 als volgt: ”De temperatuur zakt tot 20-30 graden onder zero. Als men op de voorposten toekomt, moeten wij ons op het ijs leggen en onmiddellijk vroren onze klederen aan het ijs.
Daar lagen wij nu allen te bibberen van de koude, 's nachts onder de blote hemel. Soms een dove slag van het ijs dat omhoog barstte. Bij nacht naderen wij zo dicht mogelijk de vijandelijke linie. Om het ijs open te kappen, moesten de mitrailleuzen in werking komen dan werden wij allen gedood. De Duitsers deden het niet, ook zij verlangden naar rust. Het was als een soort overeenkomst, zonder dat er iemand van afwist. Ons eten welke wij bij ons droegen en de drinkbussen barstten stuk van de vorst. Velen werden hier weggedragen gans vervroren. Hier hebben wij twee vijanden: de Duitsers en de koude. Het was ook zeer gevaarlijk in slaap te vallen. Dit zou soms uw dood betekend hebben.”

 

Niet alleen de militairen hadden het lastig, ook de burgerbevolking had het niet gemakkelijk. In het Duitse Rijk sprak men zelfs van de Koolraapwinter of van de Hongerwinter van 16/17, deze werd er veroorzaakt door mislukte oogsten en de zeeblokkade van de Britse Marine.

 

 

Meer artikels
Butte de Vauquois. 09-05-2016
Vauquois Frankrijk.

Op 14 mei 1916 (omstreeks 16 uur) lieten de Duitsers een ondergrondse mijn, van naar schatting, 60 ton exploderen, hierbij vielen 108 Franse slachtoffers en de gehele westkant van de heuvel werd weggeslagen.

lees meer ...
Stop. 26-10-2015
Kobarid Slovenië.

Op 5 juni 1914 steken de Italiaanse Bersaglieri ( letterlijk scherpschutters ) goed herkenbaar aan de lange zwarte veren op hun baret de rivier de Isonzo over.

lees meer ...
Y Farm Cemetery Herbegrafenis Soldaten 'Pte William Butterworth'. 15-08-2016
Bois Grenier Frankrijk.

In een harde tijd waar vele families het wereldwijd zwaar te verduren kregen zouden de Butterworht’s uit het Britse Lancaster vier van haar zonen verliezen.

lees meer ...