Londen Verenigd Koninkrijk.
Animals In War Memorial.
Londen Verenigd Koninkrijk.

Het Britse oorlogsmonument in Hyde Park ( Londen) is een eerbetoon aan het leed en de dood van de talloze dieren die door de Britse legerleiding ingezet werden voor militaire acties tijdens de vele oorlogen. Het memorial werd ontworpen door de Engelse beeldhouwer David Backhouse en in november 2004 onthuld door de Koninklijke prinses Anne. Het gedenkteken bestaat uit een  grotendeels  half ronde stenen wand met daarop de afbeeldingen van paarden, ezels, olifanten en kamelen. Er is een smalle opening ( scheiding)  in de wand . Twee  gesculpteerde beelden van lastezels stappen in de richting van de scheiding.  Indien je door de opening naar de andere kant van het memorial stapt zie je het beeld van een trekkend paard gevolgd door een kleine hond. Naast de belangrijkste hoofdtitel, "Dieren in oorlog", staan op het monument nog twee afzonderlijke inscripties. Het eerste en grotere opschrift luidt: "Dit monument is gewijd aan alle dieren die dienden en overleden aan de zijde van de Britse en geallieerde troepen in oorlogen en campagnes doorheen de tijd.” De tweede tekst is veel korter maar o zo juist: “ Zij hadden geen keuze.” Op de achterzijde van het gedenkteken staan volgende woorden te lezen: "Vele en verschillende dieren werden ingezet ter ondersteuning van de Britse en geallieerde troepen in oorlogen en campagnes door de eeuwen heen, en dientengevolge stierven er miljoenen. Van de duif tot de olifant speelden ze allemaal een belangrijke rol in alle regio's van de wereld in de inbreng voor de menselijke vrijheid. Hun bijdrage mag nooit worden vergeten."

 

 

Paarden waren toen in 1914 onmisbare soldaten in de oorlog. Door hun grootte konden de paarden ook de vijand te voet imponeren en bracht het paard de krijger over terreinen waar de auto niet kon rijden. Bovendien waren er in die tijd nog niet voldoende gemotoriseerde voertuigen om ingezet te worden aan het front. Toen werd er nog gevochten met paarden en dat in direct contact op het slagveld. De paarden waren vanwege hun snelheid en draagvermogen het geschiktste vervoermiddel voor alle terreinen. Maar ze waren meer dan vervoer. Het paard werd als het ware gezien als een verlenging van de menselijke mogelijkheden, als een eenheid tussen mens en dier. In een direct contact met de vijand in een gevecht kon de ruiter ze door hun grootte en kracht gebruiken als een gevaarlijk wapen. Zo kon een trap van een paard, voor zover als het niet dodelijk was, de tegenstander zware verwondingen toebrengen. Door hun hoogte boden ze de ruiter bovendien de kans om een beter zicht over het slagveld te krijgen en konden ze de vijand door hun grootte intimideren. De laatste echte veldslag met massaal gebruik van paarden ( cavalerie ) was de “Slag van Halen” (12 augustus 1914 ) in het Belgische Limburg.

 

Aan het begin van de oorlog, in 1914, had het Britse leger slechts 25.000 paarden ter beschikking. Door dit geringe aantal moest er iets gebeuren en dus kwam er noodgedwongen een massale zoektocht naar paarden op gang. De Remount Service was een eenheid binnen het Britse leger die verantwoordelijk was voor de aanschaf van last- en trekdieren. Toen de oorlog uitbrak, stond deze eenheid klaar om zo snel als kon zoveel dieren in te lijven. In de eerste twaalf oorlogsdagen werden er op de Britse eilanden meer dan 165.000 paarden en muildieren ingezameld! Maar omdat de strijd bleef duren dienden er andere leveranciers gezocht te worden. Daar bij kwam de Verenigde Staten van Amerika als eerste in aanmerking. Uit de V.S. werden ook muildieren ingevoerd. Deze dieren hadden daar hun diensten bewezen in de verovering van het Wilde Westen, en werden daarna in grote aantallen gekweekt om er in de landbouw en het goederentransport gebruikt te worden. De kweek van muildieren was in de V.S. zo grootschalig dat men er gemakkelijk een grotere kweekproductie voor het oorlogvoerende Europa kon bijnemen. En vooral, Europa betaalde goed! Uiteindelijk zouden er 429.000 paarden en 275.000 muildieren vanuit Amerikaanse farms naar het front getransporteerd worden. Vanuit staten zoals Missouri werden de ‘mules’(muildieren) op de trein gezet en spoorden ze richting Amerikaanse oostkust. Daar begon er dan een lange zeereis, die door de muildieren blijkbaar beter verteerd werd dan door de ook meereizende paarden. Na hun reis genoten de dieren van een tussenstop in het zuiden van Engeland, daar konden ze wat acclimatiseren en weer op krachten komen. Van daar vertrokken ze dan naar de hel van het Western Front. Driekwart van deze dieren kreeg de stempel van trekpaard en werden ingezet voor het vervoer van de bevoorrading van de troepen. Het andere deel was bestemd voor de militairen.

 

 

Het Duitse leger had voor de oorlog al een enorme reserve aangelegd, o.a. door alle private paarden als “militaire reservisten” te registreren (soort dienstplicht voor paarden!) en door de oprichting van militaire stoeterijen door het Remonteamt. Dat waren paardenfokkerijen waardoor ze hun eigen paarden konden kweken i.p.v. volwassen dieren te moeten aankopen zoals de andere legers dat wel moesten doen. In Groot-Brittannië, en later ook in Canada, werden vanaf 1915 alle paarden geconfisqueerd. Ook Duitsland en Oostenrijk namen alle paarden in beslag in bezet België en Frankrijk. Doch al de strijdende partijen zouden zo snel hun paardenvoorraden aanwenden dat ze uiteindelijk op import uit Zuid-Amerika zouden aangewezen worden. Aangezien dat voor de Centrale Machten bijna onmogelijk was, zou dat vermoedelijk bijdragen tot hun nederlaag in 1918. Zeker hun artillerie zou serieuze problemen krijgen om zich te verplaatsen en ook de munitietoevoer zou soms moeilijk verlopen.

 

Al sinds het eerste jaar van de oorlog eiste het Belgische leger van privébezitters (hoofdzakelijk boeren) dat zij hun paarden zouden afstaan. Behalve paarden jonger dan 4 jaar en draagmerries moesten alle paarden aan het leger verkocht worden. De prijzen verschilden, sommigen kregen meer geld voor hun paarden dan anderen en velen moesten met tranen in de ogen afscheid nemen van hun dieren. In de stad Gent werd voor elk paard 1.200 frank betaald.

 

Dat er veel paarden of muildieren de oorlog niet zouden overleven wist iedereen! Maar dat wil niet zeggen dat men ze niet probeerde te helpen als ze ziek of gewond waren, zowat ieder land had zijn paardenklinieken. Zo had het Belgisch leger aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog een Korps van Militaire Dierenartsen dat 48 officieren telde. Na de mobilisatie waren er constant 160 gediplomeerde dierenartsen in dienst. De militaire dierenartsen waren hoofdzakelijk ingedeeld bij cavalerie-, artillerie- en transporteenheden waar ze verantwoordelijk waren voor het welzijn van de paarden. Daarnaast was er ook één militaire dierenarts afgedeeld per compagnie Aérostiers (luchtballonnen). Het Belgische Leger beschikte over paarden voor officieren, voor de troep en ook over trekpaarden. Daarnaast werden er ook muilezels en muildieren als lastdieren ingezet. De dierenartsen besteedden een groot deel van hun werk aan preventieve verzorging. Ze gaven raad bij de aankoop, de voeding en de inzet van paarden. Verder waren ze verantwoordelijk voor de opleiding van het personeel in de diergeneeskundige infirmeries en van de hoefsmeden. Voor de evacuatie, de verzorging en het opnieuw inzetten, werden de dierenartsen bijgestaan door onderofficieren en soldaat-paardenverzorgers. De triage van gewonde en zieke militaire paarden verliep als volgt:

 

* De eerstelijnsverzorging ter plaatse, waarna de paarden direct weer de troepen vervoegden.

* Paarden die voor een beperkte tijdspanne buiten dienst waren, werden verzorgd in de twee diergeneeskundige divisie-infirmeries gelegen nabij Vinkem en Sint-Rijkers (Infirmerie vétérinaire de Division of I.V.D.).

 * Paarden die voor tenminste twee maanden buiten strijd waren, werden verpleegd in de diergeneeskundige evacuatie-infirmerie nabij Adinkerke (Infirmerie vétérinaire d’Evacuation of I.V.E.).

 

De paarden die na een lange herstelperiode klaar waren voor een heropname in de getalsterkte, als zowel diegene die in afwachting waren van hun definitieve afkeuring, verbleven in de algemene diergeneeskundige infirmerie in Loon-Plage (Loon-Strand) nabij het Franse Duinkerke (Infirmerie vétérinaire d’Armée of I.V.A.). Het aantal militaire paarden steeg van ongeveer 20.000 in december 1914 tot ongeveer 36.000 midden 1918.

 

De aankoop van nieuwe paarden gebeurde door de Dienst van de Remonte die hiervoor ook beroep deed op het advies van militaire dierenartsen. Ook het Belgisch leger kocht de paarden aan in de Verenigde Staten van Amerika, maar ook in Frankrijk, Groot-Brittannië en het stukje onbezet België. De Dienst van de Remonte bereidde de nieuwe dieren ook voor op hun taak in het leger.

 

AANRADER:

Film over Duits paardenlazaret in 1917 - http://www.filmportal.de/video/pferdelazarett-in-doncherry

 

De militairen aan het front moesten naast de zorg voor zichzelf ook aan hun paard denken, één van de belangrijke regels voor de verzorgers was: “Wrijf iedere dag de oren schoon en reinig de neusgaten met water en azijn”. Maar aan het front was het een grote opgave om de dieren van voldoende voedsel en zorg te voorzien. De gemiddelde levensduur van paarden tijdens de Grote Oorlog lag op vijf weken. Bij de Britten werden de paarden om hygiënische redenen kaalgeschoren, in de koude dagen zorgde dat uiteraard voor problemen! In de winter stierven deze gladgeschoren paarden met bosjes van de kou. Ongelofelijk maar waar kwamen de Britten er pas aan het einde van de oorlog achter dat het kaalscheren en het hoge aantal gestorven paarden misschien een direct verband hadden! Naast de koude en het tekort aan voedsel dicht bij het front waren ook de ontberingen op de slagvelden enorm. Ondanks alles werden paarden beschouwd als onmisbaar en werden ze aan het front ook beschermd met gasmaskers die speciaal voor hen ontworpen waren.

Men beweert dat er tijdens de Eerste Wereldoorlog in totaal tussen de zes en acht miljoen paarden stierven. Soms spreekt men over 8 miljoen paarden (en muildieren, en ezels) die naar het front zijn gestuurd in die periode en soms spreekt men over 8 miljoen paarden die er de dood vonden. Niet elk ingezet dier, stierf ook tijdens die inzet, de schattingen lopen uiteen van 6% tot 50% mortaliteit. Het cijfer lijkt in elk geval erg hoog, misschien te hoog? Een frontsoldaat schreef: “Ik wist niet dat paarden konden gillen, maar ze kunnen het. Er was een bloedbad. Engelsen, Duitsers en dieren, dood of stervende, ze lagen overal!” Het Britse Rijk stuurde ongeveer 1 miljoen rij- en lastdieren naar het front, de V.S. ongeveer evenveel, Duitsland en Oostenrijk stuurden er wellicht elk ook evenveel en dat met de geconfisqueerde paarden erbij. Van Frankrijk en Rusland zijn er geen concrete cijfers maar blijkbaar waren het er minder, voor andere strijdende landen ging het slechts om enkele duizenden dieren. Zelfs als dat allemaal naar boven afgerond en samengeteld word, dan komen we uit op 6 miljoen ingezette paarden, muildieren en ezels. Soms wordt  he getal  8 miljoen dan ook gebruikt voor alle ingezette dieren, inclusief honden en vooral duiven. Dus wellicht werden er 6 miljoen paarden, muildieren en ezels ingezet, daarvan kwamen er tussen de 1 en 3 miljoen om, en wellicht een kwart daarvan direct door gevechten. Hoe dan het zijn allemaal maar schattingen en het juiste aantal zullen we nooit kennen, maar het belangrijkste is dat we hun massale opoffering niet vergeten!

 

Gemiddeld werd bij paarden één op vier sterfgevallen rechtstreeks door oorlogsgeweld veroorzaakt : getroffen door mitrailleurvuur of allerlei granaten. De andere drie stierven door uitputting, ontbering, honger, ziekte... Ze werden amper bij gevechten ingezet, en dienden meer als levende tractor of zware vrachtwagen. Een paard zoals eerder werd vermeld had veel verzorging nodig, en die ontbrak vaak! Kou en vocht veroorzaakten schurft, slechte terreinen zorgden voor breuken en verdrinking. Op een plek waar zoveel grote dieren geconcentreerd waren was het gebrek aan degelijk voeder nijpend en soms aten ze gras dat door mosterdgas vergiftigd was. Van de 1.183.228 Britse paarden, stierven er uiteindelijk 484.000. Slechts een beperkt vooral de privé-paarden van de officieren, konden per boot aan het einde van de oorlog terugkeren naar Groot-Brittannië. Enkele jonge en fitte paarden mochten ook terugkeren. Ongeveer 25.000 dieren bleven na de oorlog in het leger en 60.000 werden binnen Groot-Brittannië doorverkocht aan landbouwers. De meeste Britse legerpaarden bleven gewoon achter in de door de oorlog geteisterde gebieden. Sommigen werden verkocht als werkdieren. De oudste ( in die tijd was een rijpaard van twaalf jaar al oud) en de ziekste werden verkocht aan de lokale slachters. Het vlees was er welkom.

 

Uiteraard waren er ook speciale paarden, zo waren er zes Britse paarden die de gehele oorlog gedurende vier jaar hadden overleefd. De zes kregen de naam van The Old Blacks en mochten in 1920 in Londen de wagen trekken waarin het lichaam van de Unknown Warrior (onbekende soldaat) lag.

 

Wat deed men een dood paard of muildier? Om hygiënische redenen was het best om de kadavers zo vlug mogelijke te begraven. Daarvoor werden er kuilen gegraven, maar als de dode dieren al lijkstijfheid vertoonden dan werden de ledematen soms van de romp gescheiden. Voor een extra grote kuil had men niet altijd voldoende tijd. Soms gebeurde het dat het vlees van de overleden of afgemaakte dieren benut werd. Snijsporen op na de oorlog gevonden botten tonen dat aan. De rantsoenen waren immers beperkt en een vers stuk vlees was een zeldzaamheid  en dus een welgekomen extraatje. Voor Belgische militairen was paardenvlees niets nieuws, maar hoe de Britten daar in de benarde oorlogstijden tegen aankeken is niet bekend.

 

Skeletten opgegraven in Reningelst en Poperinge toonden aan dat het sterven van trek-, rij- en lastdieren in de Grote Oorlog een dagelijkse gebeuren was.  In Poperinge werden er in elk geval regelmatig paardengraven aangelegd. Het waren geen toevallige gebeurtenissen en er zat een systeem in. Aan de rand van het kamp werd er een plaats voorbehouden die moest dienen  als laatste rustplaats van de dieren die voor de inzet bij het transort niet langer meer bruikbaar waren. De kadavers werden versneden om te passen in de op regelmatige afstand uitgegraven kuilen. Nee dat was geen teken van een gebrek aan respect, maar in tijdsnood moest er nu eenmaal beredeneerd  en kordaat gehandeld worden. In de vinddplaats te Poperinge werden er geen aanwjzingen gevonden dat het vlees voor consuptie van de botten werden gehaald.

 

Uit de vondsten van dergelijke dierengraven bleek er toch een groot respect. Waar paard en ruiter, of begeleider in tijden van vrede een nauwe band hadden, dan was dit in de jaren van oorlogsgeweld vaak nog meer het geval. Indien dit mogelijk was werden de kadavers niet achtergelaten maar kregen ze, wel soms enigszins versneden, een passend graf. Als dieren na bewezen diensten al eens als vleesleverancier werden benut, dan kwam dat vooral door de ellende van het soldatenbestaan en zeker niet door een gebrek aan respect voor de bewezen diensten. Dierengraven vormen een weinig gekend maar toch een onlosmakend deel van het erfgoed uit de Grote Oorlog. Ze zijn een belangrijk deel van het oorlogsverhaal, net zoals de militairebegraafplaatsen, loopgraven en andere herdenkingssites. De oorlog was een drama,  en dat zowel voor mens als dier.

 

 

 

 

 

 

Meer artikels
'Alle aquile del VI Alpini'. 22-06-2015
Verona Italië.

Ondanks dat zij samen met Duitsland en Oostenrijk-Hongarije een bondgenootschap vormden bleven de Italianen in het begin van de oorlog neutraal.

lees meer ...
Nécropole Nationale Le Vieil-Armand. 25-07-2016
Hartmannswillerkopf (Vieil Armand) Frankrijk.

In omgeving van Le Vieil-Armand en in de prachtige omringende natuur ligt de Pain de Sucre.

lees meer ...
Cimetière Militaire Français 'du Plateau'. 08-12-2014
Rossignol België.

Op 4 augustus 1914 trokken 44 Duitse divisies België binnen om het Franse leger te omcirkelen. Ondanks het verrassingseffect en de zware verliezen bood het Franse leger, met de toen nog bescheiden bijstand van het Britse Expeditieleger (BEF) hevig tegenwerk.

lees meer ...