Oudenaarde België.
Duits Monument 'Wanderer Verweile In Andacht'.
Oudenaarde België.

Net als de meeste steden in het bezette gebied kreunde ook de stad Oudenaarde onder de Duitse heerschappij. Oudenaarde werd letterlijk een kazernestad want in de stad werden er een aantal extra kazernes ingericht. Nabij de bestaande kazerne in Maagdendale werden er nog een aantal andere gebouwen ingericht om er militairen in te herbergen. Elke kazerne kreeg een Duitse naam. Zo werd de nieuwe gevangenis de König Friedrich August Kaserne genoemd, het Minderbroederklooster werd de Hertog Albrecht Kaserne. In die kazernes werden zowel de manschappen die verder trokken naar het front in de westhoek, alsook hen die in en rond de stad een taak te vervullen hadden, ondergebracht.

 

Het dagelijks leven van de burgers werd er sterk aan banden gelegd. De inwoners werden er beperkt in hun doen en laten en ze waren ook niet meer vrij om te gaan waar ze wilden en ’s avonds moest iedereen binnen zijn tegen 21 uur. En net zoals in veel andere steden gingen de Duitsers er heel wat gebouwen en plaatsen opeisen en die kregen dan van de bezetter een nieuwe functie. Bepaalde herbergen werden omgetoverd tot drankgelegenheden die uitsluitend toegankelijk waren voor Duitse militairen. Het kasteel Liedts werd het Casino Liedts (een plaats voor allerlei zedige en minder zedige ontspanningsmomenten). De fabriek van Josef Gevaert werd voor de Duitse bezetter heringericht met 64 douches. En zo waren er nog heel wat andere gebouwen en plekken die door de bezetter in gebruik werden genomen. Tussen de Schelde en de flanken van de Koppenberg werd er een uitgebreid oefenterrein, met o.a. loopgraven, aangelegd. De grote St-Jacobshoeve, dat vanaf de Opper Eindries tot het gehucht Meerse, diende er als basis. Deze heuvelachtige streek leek goed op de topografie van het Noord-Franse front. Duizenden Duitse infanteristen kregen hier hun laatste opleiding. Eén van de Duitse eenheden die geruime tijd in de stad ingekwartierd lag en op de Koppenberg oefende was het Sturm-Bataillon 4, zij verbleven er van in 1916 tot 1918.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De erg gure winter van ’16-’17 zorgde bij de burgers voor een zware kolencrisis, ook in Oudenaarde was de kolenvoorraad ontoereikend en leed de bevolking kou. Burgemeester Raepsaet bracht de bezetter hiervan op de hoogte. Als reactie daarop stichtte de bezetter een nieuw kolen comité, in dit comité zetelde de burgemeester en aantal andere prominenten van de stad. Hun doel was dat er iedere week, per huisgezin, 100kg kolen uitgedeeld zou worden. Er werden vier schepen van 100 a 200 ton afgehuurd om voor de stad te varen, maar door het extreem koude winterweer vervroor de Schelde en moest het kolentransport via het spoor gebeuren.  Natuurlijk hadden de Duitsers ook heel wat kolen nodig om al hun gebouwen die ze in Oudenaarde in gebruik hadden genomen te verwarmen, maar vooral hun militaire Lazaretten moesten goed verwarmd worden. Ja, ook Oudenaardes hospitaalgebouwen waren in Duitse handen. Zo kwam er in de nacht van 10 juni 1917 een bevel binnen dat er voor moest zorgen dat het hospitaal in Oudenaarde volledig ontruimd werd, het werd heringericht als Kriegslazarett. Het Duitse leger bracht zelf hun medische staf en personeel mee, want alleen Duitse dokters en verplegers mochten er de gewonde en zieke militairen behandelen en verzorgen. Zelfs de stedelijke begraafplaats werd ingenomen, op de dodenakker in Dijkstraat lagen er na de oorlog 364 Duitse militairen begraven. Op de begraafplaats vindt men nu nog twee uit de oorlog daterende Duitse monumenten terug. Het was bij deze herdenkingsmonumenten dat vroeger de Duitse militairen begraven lagen. Eén van de monumenten draagt het Duitse opschrift “ WANDERER VERWEILE IN ANDACHT”, vrij vertaald betekend dit: “Wandelaars komt tot bezinning”. Op de begraafplaats vindt men vandaag ook nog een aantal graven van Belgische maar ook van Commonwealth oorlogsslachtoffers uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog.

 

De Duitsers teerden ook op de lokale voedselvoorziening en veel andere materialen. De oogsten van de landbouwers werd gecontroleerd en opgeëist, maar ook vlees, pluimvee, diverse metalen, matrassen, en tal van andere producten werden door de bezetter geclaimd. Deze schaarste leidde tot smokkel en een zwarte markt waar men woekerprijzen hanteerde, boter was evenveel waard als goud! Gelukkig was er in Oudenaarde het hulp- en voedingscomiteit, dat dagelijks een voedselbedeling inrichtte, er was  volkssoep en één warme maaltijd per inwoner. In Oudenaarde werd er net als op veel andere plaatsen ook een winkel opgericht waar men met de nodige identiteitsbewijzen en bonnen producten kon kopen aan een vastgestelde prijs. De prijzen en rantsoenen werden in de kranten gepubliceerd. Deze winkels ontstonden mede door hulp uit de Verenigde Staten en werden in de volksmond de 'Amerikaanse winkels' genoemd. In deze winkel kon men producten kopen die toen bij ons nog niet goed gekend waren bv: rijst en cornedbeef. Het systeem zorgde voor een eerlijkere verdeling, maar de voedselschaarste was daarmee niet opgelost. Gedurende de oorlog werd vlees eten een zeldzaamheid. Het werd gerantsoeneerd, in 1916 was dat tot 150 gram per persoon per week, later zakte het tot 100 gram. Het viel wel op dat er toen veel gevist werd in de Schelde en in de Coupure.

 

De oorlog bleef aanslepen en het Duitse keizerrijk wou kost wat kost de oorlog winnen, maar daarvoor moest ze haar industriële oorlogsinspanningen opvoeren! Misschien kon dwangarbeid hiervoor een gedeeltelijke oplossing zorgen! Op 21 november 1916 ontving de burgemeester van Oudenaarde een schrijven van de Kommandantur, in die brief stond dat men in Oudenaarde 120 personen zocht om voor de Duitsers te werken, dat ofwel in Duitsland of in de bezette gebieden. De opgeëisten zouden ingeschakeld worden om schepen te lossen, in steengroeven te werken, loopgraven te graven enz... Vanuit Oudenaarde werden uiteindelijk 168 personen gedeporteerd, zij kwamen terecht in Zivilarbeiterbataillone, die werden gevormd in het Etappengebiet. De Zivilarbeiter (ZAB’s) werden tewerkgesteld in de frontzone, dat was zeker niet zonder gevaar. De behandeling van die burgerarbeiders was alles behalve goed, ze moesten zwaar werk verrichten, ze kregen te weinig eten en ze konden zich nauwelijks wassen. De regels waren streng, soms absurd, op sommige plaatsen was het tijdens de wintermaanden zelfs verboden om een wintersjaal te dragen.

 

Ernest Verlinden was één van opgeëiste ZAB’s uit Oudenaarde. De 17jarige Ernest werd door de bezetter naar de frontstreek gestuurd. Hij moest er vlak achter het front tussen Moorsele en Halluin (Frankrijk) o.a.  munitie laden en lossen, de loopgraven gaan verstevigen en afspannen met prikkeldraad, enz. Ondanks dat Ernest het zelf moeilijk had om zijn honger te stillen had hij toch compassie met de Italiaanse krijgsgevangenen die bij hen tewerk gesteld werden. Zo gaf hij een Italiaan eten en drinken, maar dat werd opgemerkt door een Duitse soldaat. De soldaat reageerde woedend! De Italiaan kreeg rake klappen en het eten werd op de grond gegooid en vertrappeld, maar ook Ernest kreeg slaag en werd opgesloten in het gevang. Vaak kwamen Ernest en zijn lotgenoten onder vijandelijke artilleriebombardementen te liggen, maar zij mochten niet gaan schuilen in de betonnen schuilplaatsen, die waren enkel voor Duitse militairen. Verschillende van zijn vrienden kwamen bij deze bombardementen om het leven of raakten gewond. Ook Ernest werd gewond, in Halluin werd hij geraakt door een granaatsplinter. In augustus 1918 keerde de zieke Ernest terug huiswaarts, hij leed aan de Spaanse ziekte (griep).

 

Een andere Oudenaardse sukkelaar was Jacobus De Jonghe. Jacobus werd op 28 februari 1856 te Eine geboren. Hij werd op 1 december 1916 opgeëist, hij was toen al 60 jaar oud en was wever van beroep. Hoewel de bezetter alleen mannen tussen de 17 en 45 jaar zocht, werd hij toch opgepakt en naar Réville-aux-Bois ten noorden van Verdun gestuurd. Daar moest hij werken in de nabij gelegen steengroeven en ook helpen bij de aanleg van de wegen die onontbeerlijk waren voor de bevoorrading van de frontsoldaten. Hoe dichter bij het front hoe slechter dat de dwangarbeiders behandeld werden. De voeding was erbarmelijk en de huisvesting stelde niet veel voor. Jacobus geraakte ondervoed en kreeg er ook te maken met heel wat fysiek geweld van de bewakers die er af en toe hun duivels ontbonden. Jacobus was fel verzwakt en had ook last verzweringen in de nekstreek. Op een bepaald moment, vermoedelijk zonder reden maar puur uit onmenselijkheid, rukte de Duitse officier Schülze Jacobus zijn halsdoek af, dat was pijnlijk want het scheurde al zijn hals zweren open. Jacobus kreeg geen verzorging, want dat mocht niet! Na het incident ging de gezondheid van Jacobus, die thuis een zoon Armond van 30 jaar en een dochter Eloize van 21 jaar had, vlug bergaf! Hij stierf op 27 april 1917, dat was 14 dagen na het voorval.

 

Niet alleen voor de opgeëisten waren het moeilijke tijden, ook voor de burgers die in Oudenaarde bleven was het kommer en kwel! In de maanden september en oktober van 1916 beleefden de inwoners van Oudenaarde een zeer deprimerende periode, er brak een tyfusepidemie uit. In enkele dagen tijd liep het aantal tyfusgevallen in het hospitaal op tot 50. Doch men schatte dat er in  totaal zo’n 150 zieken waren. Waarom er in de stad een tyfusepidemie uitbrak was niet zo duidelijk, maar er circuleerden twee mogelijke verklaringen. De meest voor de hand liggende oorzaak was de vervuiling van het drinkwater, uitgevoerde testen wezen uit dat zo goed als elke waterpomp serieus verontreinigd was. Een tweede mogelijke oorzaak werd door de plaatselijke bevolking bij het komen en gaan van Duitse besmette militairen gezocht, op dat moment waren dat er tussen de 4.000 a 4.500. Velen van hen waren erg verzwakt, nu bij de burgerbevolking was dat in feite ook het geval! Op 27 oktober ’16 plakte men affiches waarop men meedeelde dat al het drinkwater dat voor consumptie werd gebruikt eerst gekookt moest worden. De Duitsers vreesden voor een oplopende besmetting van de tyfusepidemie, daarom nam de Duitse overheid in Oudenaarde drastische maatregelen. Iedereen die in contact was gekomen met een tyfuspatiënt werd ingeënt en alle patiënten met tyfus werden afgezonderd in het lazaret en het aantal Duitse troepen in Oudenaarde werden tot een minimum teruggebracht. Alleen voor de opgevorderde werkkrachten was dat een goede zaak, want alle opgeëisten van Oudenaarde moesten tot nader order in de stad blijven. Het zou niet bij die ene epidemie blijven, in Oudenaarde kende men ook een uitbrak van roodvonk, maar de ergste epidemie zou er op het einde van de oorlog uitbreken! Deze epidemie, bekend als de Spaanse griep, eiste wereldwijd naar schatting 20 tot 100 miljoen levens. 

 

Tijdens die donkere oorlogsperiode probeerde burgemeester Paul Raepsaet zijn stad van de grootste rampspoed te beschermen. Al in 1914 zorgde hij voor de oprichting van een Hulpcomiteit voor de noodlijdenden. Hij richtte een Bureau voor de uitgave van betaalbonnen in en hij probeerde er ook om de opeisingen van de Duitse troepen zoveel mogelijk in goede banen te leiden. Wanneer de Duitse overheid alle klokken opeiste om die te kunnen omsmelten tot kanonnen verklaarde Paul Raepsaet dat er in Oudenaarde, buiten die van de historisch belangrijke beiaard van Sint-Walburga, geen klokken waren. Jammer genoeg maakte burgemeester Raepsaet de bevrijding van zijn Oudenaarde niet meer mee, hij overleed op 19 oktober 1918.

 

Gedurende de oorlog zelf had de stad weinig last van het krijgsgeweld en van de bombardementen. Het was pas tijdens de laatste 10 dagen van de oorlog, begin november ’18, dat daar verandering in zou komen. In die korte tijdspanne, tijdens de gevechten aan de Schelde, werd het historische patrimonium er zeker voor een derde verwoest. De Duitsers wilden de stad niet zonder slag of stoot afgeven aan de geallieerden, na hun terugtocht uit Oudenaarde bestookten ze de stad nog met gasgranaten. Dat zorgde voor heel wat burgerslachtoffers.

 

 

Meer artikels
V Beach Cemetery. 20-04-2015
Seddülbahir Turkije.

Sedd el Bahr (In modern Turks Seddülbahir, betekent in het Ottomaans “ Muren van de Zee”.)

lees meer ...
Beaumont-Hamel British Cemetery. 27-06-2016
Beaumont-Hamel Frankrijk.

Wonder boven wonder bereikte ik de holle weg, buiten adem en de laatste meters een beetje springend tot ik de schuilplaats een granaattrechter in dook waar ik kon schuilen.

lees meer ...
Loos British Cemetery & Bunker 'No Fear'. 14-03-2016
Loos (Loos-en-Gohelle) Frankrijk.

Deze Britse begraafplaats werd in juli 1917 aangelegd door Canadezen, na de oorlog werden veldgraven en de graven van kleinere begraafplaatsen uit de omgeving naar hier overgebracht.

lees meer ...