Diksmuide België.
Graf Crypte Ijzertoren & Madeliefje.
Diksmuide België.

Wat de Klaproos is voor de Britten, de Korenbloem voor de Fransen dat was het Madeliefje voor de Belgen! Al in september 1914 na de eerste veldslagen ontstond er bij de strijders de gedachte om een veldbloem te kiezen als symbool voor hun lot. Een veldbloem van daar ter plaatse, die in de omgewroete slagveldaarde tussen de dood en het verderf snel opnieuw groeide en bloeide. De bloemen werden geplukt als souvenir, gedroogd en dan samen met een brief huiswaarts gestuurd. Of bewaart in een gebedenboekje of bij de foto van een geliefde of bij die van een gevallen kameraad.

 

De Fransen kozen voor de "bleuet",  de blauwe Korenbloem die de zelfde kleur had als de uniformjas die de Franse militairen droegen bij de aanvang van de oorlog. Deze kleur stond ook symbool voor de samenhorigheid onder de Franse Poilus aan het front. Al in 1916 werden er herdenkingskorenbloemen geproduceerd en in 1920 werd het als nationaal symbool erkend.

 

Geïnspireerd door het krachtige beeld van de tussen de kruisen bloeiende klaprozen schreef de Canadese arts John McRae op 3 mei 1915 het beroemde gedicht "In Flanders Fields (the Poppies blow)..." Zijn gedicht zorgde er voor dat de rode Klaproos of poppie de symboolbloem voor alle Britse troepen zou worden. Ontroerd door McRae’s poëma stelde de Amerikaanse Moira Michael, bekend als de Poppy Lady, op het einde van de oorlog voor om de klaproos als officieel herdenkingssymbool aan te wenden. Kort na de Amerikanen werd dit symbool ook overgenomen door de oud-strijders verenigingen van het ganse Brits Rijk.

 

Ook de Belgische soldaten hadden een symbolische veldbloem, zij verkozen het witte Madeliefje. Dat bloempje was met zijn witte kleur ook het zinnebeeld voor vrede. Men is het ondertussen bijna  vergeten, maar de Belgische mannen stopten toen geregeld gedroogde madeliefjes in hun brieven naar huis, madeliefjes van aan IJzerfront. In tegenstelling tot Frankrijk en het Britse Rijk zou België pas in de jaren 1930 op vraag van FIDAC (de Intergeallieerde Federatie der Oud-strijders) een officiële herdenkingsbloem invoeren. Er werd gekozen voor het madeliefje dat al tijdens de oorlog populair was bij de Belgen. Men richtte toen een fonds op die de naam: “La Paquerette de l’ Ancien Combattant de l’Yser - Het Madeliefje van de Oud-strijders van de IJzer” kreeg en die de bloempjes verkocht ter ondersteuning van sociale werken voor de oud-strijders. De verkoop was in handen van plaatselijke comités en gebeurde telkens op een nationaal vastgelegde dag. Vaak werden deze bloemetjes in zijde of papier door oorlogsinvaliden vervaardigd. In België werd zo ten gunste van de oorlogsslachtoffers, tot in de vijftiger jaren, met Madeliefjes rondgegaan.

 

In het hele Britse Gemenebest is de rode Klaproos nog alom gekend en word ze in de periode rond 11 november  en op speciale herdenkingen door velen gedragen. In Frankrijk word er op de nationale feestdagen door velen nog een papieren "Bleuet" gedragen, maar in het weinig chauvinistische België raakte het Madeliefje echter in de vergeethoek. Nu met de 100 jarige herdenkingen van de Eerste Wereldoorlog probeert men de Madelief in ere te herstellen, zo wil men tonen dat ook de Belgen hun oorlogsslachtoffers, zowel burgers als militairen, niet zijn vergeten. Vandaag draagt men echter bijna vooral de Angelsaksische poppie die als een soort van internationaal herdenkingssymbool wordt gebruikt. De Poppie wordt dikwijls geheiligd, soms gecontesteerd maar nu vooral meer en meer gecommercialiseerd!

 

Ook in andere landen werden ter herdenking van 11 november bloempjes verkocht. In de legerbode van 1937 staan naast de al eerder vernoemde landen nog een aantal andere landen samen met hun symboolbloem vermeld: in Italië was dat de lelie, in Joegoslavië de pioen (roos), in Roemenië het viooltje en in Portugal de anjer. Sinds kort koos Duitsland ook een herdenkingsbloempje voor hun gevallenen, zij kozen voor het Vergeet-mij-nietje (Myosotis).

 

Honderd jaar geleden had de Derde Slag om Ieper zich ondertussen op gang getrokken. Aan de Belgische frontsector hadden de Fransen op 11 juli 1917 de Belgische stellingen bij Merkem overgenomen. De Belgische troepen lagen toen van Nieuwpoort tot Drie Grachten. In die periode (in feite tijdens bijna de gehele oorlog) speelde de 13,5 km lange spoorwegbedding van spoorlijn 74, die tussen Diksmuide en Nieuwpoort liep een hoofdrol, ze deed er dienst als Belgische frontlijn. De spoorwegbedding Nieuwpoort-Diksmuide liep ten W van de IJzer en over het grondgebied van Nieuwpoort, Ramskapelle, Pervijze, Stuivekenskerke, Lampernisse en Kaaskerke. In 1999 werd de voormalige spoorwegbedding op initiatief van de Provincie West-Vlaanderen beschermd en ingericht als fiets- en wandelpad de "Frontzate". Links en rechts van de spoorwegbedding zijn nog heel wat bakstenen en betonnen constructies of restanten ervan te zien. Men kon er minimum 163 constructies onderscheiden, een aantal van hen werden ondertussen gerestaureerd.

 

Ten gevolge van de Duitse overmacht in 1914 moesten de Belgische troepen zich terugtrekken naar de IJzer. Daar besliste men om de IJzervlakte onder water te zetten, dat was de enige manier om er de oprukkende Duitsers tegen te houden! Die inundatie was een strategische ingreep die ook in de vier volgende jaren elke dag weer opnieuw in stand moest worden gehouden. Daardoor gulpte het water de IJzervlakte binnen tot aan de spoorwegberm die dienst deed als waterkering. Het gebied tussen de IJzer en de spoorwegbedding werd herschapen in een zompig gebied, met een aantal daarboven uitstekende eilandjes, die door de Belgen en de Duitsers ingericht werden als voorposten in het niemandsland. De Belgische troepen legden een labyrint van loopgraven, observatietorens en stenen of betonnen schuilplaatsen aan langs de spoorlijn, waaronder Villa Bertha en een medische hulppost. De onderstand Villa Bertha in Ramskapelle, die dienst deed als mitrailleurpost, ligt in de berm langs de voormalige spoorwegbedding Nieuwpoort – Diksmuide, op circa 150 meter ten noordwesten van de brug van de autosnelweg A18 en circa 900 meter ten noorden van de kern van Ramskapelle.

 

 

Villa Bertha is een rechthoekig bouwsel van circa 2,30 meter hoog, 6 meter lang en 4 meter breed, het werd opgetrokken uit geprefabriceerde betonblokken en beton dat verstevigd werd met ronde ijzeren staven. Het lichtjes gewelfd plafond werd geconstrueerd met twee bogen (vermoedelijk beton gegoten op metalen platen). Het dak werd deels vernield. De opening in het dak zou het gevolg zijn van een naoorlogse poging om ijzer uit het dak te recupereren, anderen spreken van een voltreffer. Aan de zuidwestkant steekt er een deur- en vensteropening. Aan de noordoostkant is er een opening, die schuin gericht is (schietgat) en uitsparingen bevat voor een houten bekleding. De opening geeft zicht op het toenmalige overstroomde niemandsland tussen IJzerdijk en spoorwegberm. Nu de rust zelf, destijds de hel op aarde... Na de oorlog werd de schuilplaats ontkleedt, al wat niet te vast of te zwaar was werd er meegenomen want de broodnodige bouwmaterialen waren toen schaars en duur. Nabij de Villa Bertha kan men ook nog de restanten van diverse bakstenen en betonnen constructies terugvinden.

 

 

Dankzij de nabijgelegen steenbakkerij van Wulpen kon men hier langsheen de spoorbedding schuilplaatsen uit baksteen bouwen. Voor de bedaking van de bakstenen constructies werden er differente systemen toegepast. Bij sommige bouwsels zijn er uitsparingen in het metselwerk aanwezig, die dienden voor de steunbalken (houten balken of stalen profielen) waarop men vervolgens platen kon leggen.  Bij andere constructies gebruikte men zandzakjes voor de bedaking, vervolgens werden die dan bovenaan met mortel afgestreken. Alle constructies werden hoogstwaarschijnlijk nog eens extra beschermd door enkele lagen vaderlandertjes (zandzakjes). Afhankelijk van de toestand van de grond konden de loopgraven hier ondergronds of half bovengronds aangelegd worden. Vanaf de spoorwegbedding liepen er houten loopbruggen (passerelles) naar de voorposten in het onderwater gezette gebied. De meeste bakstenen constructies in de Frontzate, waarvan we vandaag de dag de structuren en/of (delen van) de muren nog kunnen zien fungeerden als schuilplaatsen voor de manschappen die hier de wacht moesten houden. Twee kleine vierkante bakstenen constructies deden er waarschijnlijk dienst als schietpost. Eén bakstenen gebouwtje was een keuken, de ovens en schoorstenen zijn nog deels aanwezig. Een andere schuilplaats draagt een in beton gegoten Rodekruisembleem, dit was duidelijk een medische hulppost. Verder zijn er ook sporen uit de Tweede Wereldoorlog. Op de spoorwegbedding werden toen door de Duitsers enkele mitrailleurposten van het type 'Tobruk' ingeplant, die in Ramskapelle en Nieuwpoort bestaan nog. Mogelijks zijn nog enkele andere langs de Frontzate gelegen betonnen constructies eveneens afkomstig uit WOII. Merkwaardig en zeker het bezoeken waard is het voormalige station van Ramskapelle dat na de herovering op de Duitsers in 1914 van binnenuit met beton werd versterkt tot een mitrailleurs- en observatiepost.

 

Meer artikels
Monte Piana. 27-11-2016
Monte Piana.

De Monte Piana is een 2.324 meter hoge berg in de Italiaanse Dolomieten van Sesto  en ligt tussen de grens Belluno en die van Bolzano, meer bepaald tussen de stad Auronzo en de gemeente Dobbiaco.

lees meer ...
Tilleul Farm Bunker. 31-07-2017
Bikschote (Langemark-Poelkapelle) België.

Deze Duitse betonconstructie 2km ten ZO van Bikschote maakte deel uit van  Querriegel-Nord, dat was een Duitse stelling die hier tegen de vooravond van de Derde Slag om Ieper uitgebouwd was.

lees meer ...
Monument voor de verdedigers van Rombon. 13-03-2016
Log Pod Mangartom Slovenië.

Het dorp Log Pod Mangartom ligt in de vallei van de Koritnica rivier, in het achterland van het vroegere Isonzo front.

lees meer ...