Langemark - Poelkapelle België.
Tank Poelkapelle.
Langemark - Poelkapelle België.

De Britten maken bij de 3e slag om Ieper ook gebruik van tanks. Ze hadden dit nieuwe nog in ontwikkeling zijnde wapen voor het eerst een jaar eerder ingezet aan de Somme. Op dat moment waren er in totaal 59 tanks in Frankrijk aanwezig. Tien daarvan waren in reparatie. De mechanische betrouwbaarheid was zo slecht dat één derde van de overige voertuigen de frontlijn niet eens haalde. 32 tanks bereikten de startlijn en daarvan liepen er nog eens veertien vast voordat ze enig gevechtscontact hadden gemaakt. Zo kwam het op 15 september 1916 tot de eerste inzet van tanks, dat gebeurde tussen Flers en Courcelette. Zeventien tanks werden geraakt door granaten, tien bleven  achter op het slagveld. Voor de Duitsers was het opduiken van de onbekende stalen monsters echter een volkomen verrassing. De gewone soldaat had geen enkel middel om zich te verdedigen en was psychologisch totaal onvoorbereid. Ondanks het beperkte resultaat had de tank nu toch aangetoond om een nuttig wapen te kunnen worden al was het alleen maar omdat hij de noodzaak wegnam bij ieder offensief de helft van de afgeschoten granaten te besteden aan het vernietigen van prikkeldraadversperringen.

 

Er bestonden twee types van tanks:

  1. de Male (mannelijk), was een versie met kanonnen en vier Hotchkiss mitrailleurs.
  2. de Female (vrouwelijk), was een versie met alleen (zes) mitrailleurs: de twee kanonnen waren vervangen door twee Vickers mitrailleurs.

De mannelijke tanks moesten de vrouwelijke tanks tegen de zwaardere Duitse wapens beschermen.

 

Die eerste tanks ( ook de later Mark IV) waren box-tanks d.w.z. één enkele ruimte waar alles in ondergebracht was. Motor, transmissie, 227 liter benzine, vier vaten olie en smeervet, leidingen, bedrading, bewapening, 332 granaten, 6272 kogels, water, voedsel, acht manschappen en twee postduiven (géén radio) zaten daar op en door elkaar. Dat alles was maar matig beschermd door geklonken en geschroefde pantserplaten van zes tot twaalf millimeter dik, een voltreffer van een artilleriegranaat was meestal fataal. Maar ook mitrailleurs waren een probleem, want gesmolten kogelfragmenten konden via kieren en kijksleuven binnendringen. De bemanning werd daarom later voorzien van maliënvizieren om gezicht en ogen te beschermen. Een gasmasker tegen Duitse gasaanvallen hoorde ook tot de standaarduitrusting. Doch de gevaarlijkste gassen voor de bemanning werden echter door de tank zelf geproduceerd. De ventilatie binnen de tank was totaal onvoldoende en regelmatig raakten hele bemanningen bij een temperatuur van 50 graden bedwelmd door de eigen uitlaatgassen en benzinedampen. Bij het vuren kwamen daar nog eens de cordietdampen bij. De lage snelheid (in het terrein hoogstens een paar kilometer per uur) en de zeer omslachtige besturing maakten de tank extra kwetsbaar.

 

Na de inzet van de tanks aan de Somme besefte men dat er veel meer tanks nodig waren om succes te kunnen boeken tijdens een actie. Niet alleen de kwantiteit was belangrijk, maar vooral ook de kwaliteit van het wapen moest verbeteren. Ook de bepantsering en de mobiliteit moest verbeteren, men had een krachtiger motor, een betrouwbare transmissie en een eenvoudiger besturingssysteem dat beter werkte nodig. Er werd besloten om over te schakelen naar de bouw van twee types die zouden dienen als oefentank, dat waren de Mark II en de  mark III. Daaruit groeide uiteindelijk de Mark IV tank uit voort, het was vooral dat model dat ingezet zou worden bij Ieper in 1917. Bij Ieper werd er voor het eerst een groot aantal tanks ingezet, om precies te zijn 216 MarkIV-tanks. 

 

Zij die in Haigs hoofdkwartier, in het verafgelegen Montreuil, van heel dat tankgedoe niet veel moesten weten en het liefstde inzet helemaal zagen mislukken, hadden erop aangedrongen om de tanks alleen aan generaal Gough toe te vertrouwen. Dat omdat die geen te hoge bekendheid had, en  bovendien moest hij aanvallen op een terrein dat zeker niet ideaal was voor tanks! Maar kolonel Elles (later generaal) de hoogste in bevel over de tanks, was de achterklap en het geknoei meer dan beu en wenste een volwaardige en een gesteunde waardering voor dit nieuwe wapen van de toekomst. Hij eiste terecht dat de tanks een eigen onafhankelijke eenheid in het militaire systeem zouden worden…Tegen alle verwachtingen in kreeg hij zijn zin op 28 juli amper drie dagen voor de Derde Slag bij Ieper begon. Het tankwapen werd van die datum af een eigen corps: het “Tank Corps”. Elles werd in feite een proefkonijn, bij een mislukking zouden de tegenstanders van de tank hem als zondebok kunnen offeren en zelf hun handen in onschuld wassen. Elles aanvaardde de uitdaging.

 

De tanks Van Elles zouden de aanval inzetten op 31 juli 1917. De 136 tanks bereikten, op twee na, op tijd (half vier in de morgen) hun startlijn. De meest noordelijke sector, deze van Langemark – St.-Juliaan,  werd toegewezen aan de tanks van het G-bataljon. Rechts van hen, van Pond Farm tot Frezenberg, was voor het F-bataljon. Ten zuiden van de Frezenberg werd het terrein toegewezen aan het C-bataljon, met als volgende buur het B-bataljon tot aan Glencorse Wood (Nonnenbossen). Op het meest zuidelijke gelegen aanvalsterrein, tot over de beruchte weg Ieper – Menen, moest het A-bataljon in actie treden. Het D-bataljon werd even met rust gelaten, wellicht om het de gelegenheid te geven om te bekomen van de strijd die het op 7 juni, tijdens de Slag bij Mesen, had geleverd.

 

Op 31 juli om 04u45 barste de eerste aanval van de Derde Slag bij Ieper los. Het was al een week mooi weer was geweest, maar in de namiddag begon te regenen. Normaal gezien had de aanval al een drietal dagen eerder moeten losbreken, maar generaal Gough van het Vde Leger had aan opperbevelhebber Douglas Haig gevraagd om de aanval uit te stellen. Hij vroeg dit omdat hij nog niet helemaal klaar was met de voorbereiding. Dit ultieme uitstel zou hen duur te staan komen! De regen die al tijdens de eerste dag van het offensief begon te vallen, zou een hele week met volle bakken uit de lucht vallen en toverde de delicate grondconstructie om in een immense modderpoel die zeker niet geschikt was voor oprukkende tanks. De toestand van het terrein zou nog verergeren want de zware artillerie had het hele terrein gedurende twee weken onafgebroken omgeploegd tot een echt maanlandschap en had ook de natuurlijke afwatering door beken en sloten kapotgeschoten. De tanks (per twaalf voor een divisie) volgden de linten die men de avond voordien gespannen had om de richting aan te duiden. Jammerlijk genoeg had de legerleiding te weinig rekening gehouden met het kolossale gewicht van de tanks bij hun inzet op een zompige bodem. Ook de tactische inzet van de tanks stond niet op punt, sommige tanks reden achter de infanterie aan in plaats van er voor. De inzet van tanks draaide uit in een fiasco, de infanterie behaalde wel respectabele terreinwinst. Slechts enkele tanks zouden naar hun basis terugkeren.

 

De legende vertelt dat de tanks in de modder wegzonken, maar in werkelijkheid bleek dit niet alleen het echte probleem te zijn. De tanks waren verrassend goed in staat om zich weer los te werken, al moesten ze daarvoor hun 'unditching beam' soms blijvend laten ronddraaien. De Unditching beam was een zware eikenhouten balk die op twee rails boven het op dak van de tank meegedragen werd bij de Britse tanks vanaf de Mark IV. Mocht de tank zich in de modder vastwerken, dan moesten twee man hun leven wagen door onder vijandelijk vuur op de tank te klimmen en de aan de balk verbonden stalen kettingen aan de rupsbanden te bevestigen. De balk werd dan door de rupsbanden tot onder de tank gevoerd zodat de enorme tractie het voertuig kon loswerken. Lukte dat, dan zou de balk weer van achteren op de rails glijden, en daarna weer losgekoppeld worden. Lukte het gedeeltelijk, dan draaiden tank en balk in tegengestelde richting tot of de ketting brak, of de rupsband. Doch het belangrijkste probleem was dat de motoren steeds afsloegen omdat de romp van de Mark IV helemaal niet waterdicht was en dat het ook ondoenlijk bleek te zijn om er zich te oriënteren. De tankbemanningen beschikten wel over degelijke frontkaarten, maar die stemden niet meer overeen met de werkelijkheid. De West-Vlaamse dorpjes waren weggeveegd en veranderd in met modder bedekte puinhopen. Ook de beken en stroompjes hadden hun loop gewijzigd. Al snel ontbrak iedere coördinatie met de infanterie en dwaalden de tanks doelloos rond totdat ze door de vijandelijke artillerie afgemaakt werden en wegzonken in de bruine brij.

 

In de sector van ’t Hoge kwam slechts één van de negentien tanks die in actie kwamen, ongedeerd naar zijn startplaats terug!  De overige tanks werden stukgeschoten of waren weggezonken in het modderige slagveld. Daar aan ‘t  Hoge ontstond het eerste “Tank Graveyard” (tankkerkhof) dat na de oorlog een toeristische attractie zou worden.

 

Bij het XVIIIde Corps, onder bevel van generaal Maxse, verliep het gebruik van de tanks iets beter. Ten zuiden van St.-Juliaan konden ze het terrein tussen Spree Farm (Fortuinhoek) en  Frezenberg veroveren, maar in het noorden zakten ze weg  in de moerassen van de Steenbeek. De paar tanks die zich wel uit de modder konden bevrijden hadden daarvoor zoveel tijd  nodig gehad dat ze te laat kwamen om de infanterie te helpen in hun opmars. Ondanks alles  konden de Britse aanvallende troepen toch  de helft van St.-Juliaan innemen. Over een frontbreedte van twee kilometer boekten ze  terreinwinst van een goede kilometer. Die terreinwinst kwam vooral door de tanks van het G-bataljon. De tank G47 GITANE, onder bevel van luitenant Alden, veroverde ten noorden van St.-Juliaan eerst  het Duitse bolwerk Alberta en drong dan samen de G48 GULLAH tank van  2nd Lt. (onderluitenant) Brassington door tot in St.-Juliaan en veroverde het hele dorp.  Nu hoe dan ook de inzet van de tanks had op die eerste dag zeker niet het gehoopte succes opgeleverd. Hun inzetbaarheid daalde zo snel dat de tanks in de drie maanden die de slag nog zou duren niet echt nog een rol van betekenis zouden spelen.

 

Tussen 4 en 7 oktober zou men voor het veroveren van Poelkapelle toch opnieuw tanks inzetten. Gezien generaal Maxse, hoewel hij een infanteriegeneraal was, het meest in het gebruik van tanks geloofde, en omdat de weg St-Juliaan-Poelkapelle de best verharde en dus de meest geschikte was om het gewicht van de tanks te dragen, werd de hoofdaanval op Poelkapelle vooral aan zijn eenheden de 11de en de 48ste divisie toevertrouwd. De 10de compagnie van het ondersteunende tankcorps onder bevel van majoor Marris (vervanger van majoor Haskett-Smith), van het D-bataljon, werd bevolen de opdracht uit te voeren, d.w.z. de infanterie bij te staan bij het veroveren van versterkte stellingen. De tankeenheid telde 12 tanks en was onderverdeeld in drie secties die elk over 4 stuks beschikten.

 

  1. De 1e sectie stond onder bevel van Kapitein Martin en bestond uit de tanks: de D1 DRUID, D13 DAME, D2 DUKE OF CORNWALL en de D3 DRONE. Enkel de D2 was van het mannelijk type. Zij moesten Terriër Farm bezetten.

 

  1. Sectie 2 van kapitein Nicholls was samengesteld met de volgend tanks: de D5 DAKOIT, D7 DEATHS HEAD, D6 DEVIL MAY CARE en de D8 DIOGENES. De eerste twee moesten de ruïnes van Poelkapelle kerk bereiken, de twee andere de kruising van de Ieperstraat en Langemarkstraat. De tanks D7 en D8 waren mannelijk types de andere twee vrouwelijke.
     
  2. Sectie 3 onder bevel van kapitein Makeown bestond uit de tanks: de D9 DAMOCLES, D11 DOMINIE, D10 DIANA en de Dl2 DOROTHEA. De D9 en de D11 moeste zich naar Ferdan House (Kangaroo Pond) begeven  (dat was een niet meer heropgebouwde hoeve aan de Oude Langemarkstraat), de twee andere tanks moesten dienst doen als reserve in Poelkapelle dorp. Enkel de D9 was mannelijk, de andere drie vrouwelijk.

 

 

Bij Regina Cross in St-Juliaan voorzag men twee bevoorradingsplaatsen voor brandstof, olie, water en munitie. Elke tank kreeg ook voldoende voorraden mee om een opslagplaats te creëren nabij Retour Crossing, dit zowel voor de tanks als voor de hele infanterie van het XVIIIde Corps, ieder gepantserd voertuig had ook twee postduiven aan boord om zo berichten te kunnen versturen.

 

Al de dag voor de aanval kwamen de gevechtswagens aan in St-Juliaan. De tanks werden in afwachting op hun vertrekorder onder camouflagenetten geparkeerd, zo konden de Duitse verkenningsvliegtuigen ze niet opmerken.

 

Om middernacht rolden de tanks in de richting van Poelkapelle, tot ongeveer aan de Lekkerboterbeek. Doch al na enkele minuten moest de D11 wegens een mechanisch defect terugkeren. De elf andere tanks rolden moeizaam voort tot  Retour Crossing.  In 1914 werd dit kruispunt door de Fransen het "Carrefour du Retour" genoemd, de Britten vertaalden het later gewoon naar "Retour Crossing". De tanks werden opgehouden door de boomstammen die de Duitsers als hindernissen over de weg hadden gelegd, want dit was immers de enige doorgang die de tanks konden nemen. Die boomstammen moesten allemaal door de tankbemanningen zelf met de hand verwijderd worden, daar verspeelden ze heel wat tijd. Nu zo erg was dat niet want de infanterie die de tanks op de hielen moest zitten kon ook het opgelegde tijdschema niet volgen, de ergerlijke modder en de aan elkaar grenzende granaattrechters maakten het hen zeer lastig.

 

De tanks van sectie 1 die naar  Terrier Farm en  Gloster Farm moesten rijden, hadden de hoofdweg verlaten en zochten hun weg via de Waterstraat, maar om hun doel te vinden moesten ze hun kompas bovenhalen en zich daarmee proberen te oriënteren. Gelukkig was de ondergrond van die zijstraten nog hard genoeg om de tanks te dragen. Toen Gloster Farm opdoemde, kwamen de 6-ponderkanonnen van de D2 in actie, een deel van de bezetters van de hoeve sloeg op de vlucht. De rest gaf zich over. Dat deed de bezetting van  Terrier Farm vervolgens ook, en dat zonder dat ze enig weerwerk hadden geboden. De tanks van sectie 1 hadden hun taak volbracht en keerden terug.
Op de grote baan naar St-Juliaan, in de buurt van Kerselaar (St-Juliaan), raakte D1 DRUID  plots van de weg af, hij slipte in de sloot en geraakte er niet meer uit. De tankbemanning verliet het voertuig en liet het achter. Op hun terugtocht bleven de overige drie tanks wachten bij eenheden van de 48ste Britse Divisie. Zij zouden hen daar ondersteunen want men verwachtte een tegenaanval van de 6e Beierse Divisie. Doch er kwam geen tegenaanval, de tanks gaven alle munitie en voorraden die ze bij hadden aan de infanterie en vertrokken. Tegen de middag bereikten de drie tanks hun startpunt St-Juliaan.

 

De twee andere secties arriveerden bij het zwaar beschadigde kruispunt van de Langemarkstraat en de Houthulstseweg (daar staat nu het monument van Guynemer ). Alle huizen waren verdwenen, maar de puinhopen van de vroegere huizenrij toonden de tanks wel de loop van de vroegere straten. Daar namen de tanks aparte richtingen. Om half acht drong de D5 Poelkapelle binnen. Hij  schakelde  onmiddellijk enkele van de talrijke mitrailleursnesten, die zich verscholen hadden in de resterende kelders, uit en nam er samen met manschappen van de 11de divisie talrijke gevangenen. Terwijl ze vervolgens poogden om midden in het dorp een scherpschuttersnest uit te schakelen, zonk de tank D5 DAKOIT in een granaatkuil en raakte er niet meer uit. Men probeerde het ook met de 'unditching beam' maar die brak. De tank werd serieus beschoten, sergeant Proctor werd gedood  drie anderen  werden ernstig gewond, onder hen ook tankcommandant luitenant Wylie. De tank bleef vaststeken achter de puinhopen van de huizenrij ten noordwesten van de kerk.

 

De D7 DEATHS HEAD, had 50 Duitsers uit hun gevechtspost gejaagd en hen uitgeleverd aan de infanterie. Hij kon zijn taak ongedeerd volbrengen en, nadat hij ook een paar uur gewacht had op een eventuele Duitse tegenaanval, keerde de tank om 12u terug naar zijn basis; De doelen van de D6 en D8 waren al door de infanterie veroverd. Ze baanden zich dan maar een weg door de hoofdstraat en namen talrijke bunkers onder vuur. Tenslotte gaven ze hun munitievoorraden aan de infanterie. De D8 zakte daarna in een obuskrater en probeerde zich te bevrijden, maar  de kettingen van de 'unditching beam' braken. Hij moest uit de krater getrokken worden door zijn metgezel de 'DEVIL MAY CARE'.

 

Ook de tanks van sectie 3 bereikten hun doelen, maar omdat zij bij Retour Crssing opgehouden werden door de D12 DOROTHEA, die daar vastgelopen was, bereikten zij pas hun doelwitten toen die al door de infanterie bezet waren. Verder  verzakten nog twee tanks,  één aan de kerk en één in de Houthulstseweg, maar na een paar uren zwoegen konden ze zich loswerken, ook zij gaven hun overschot aan munitie aan de infanterie. Buiten de DAKOIT en de DRUID bereikten al de andere tanks, volgeladen met gewonde infanteristen, hun basis St-Juliaan. De tanks van het A-bataljon waren vertrokken vanuit St-Jan en opereerden zuidelijker.

 

De week na 4 oktober 1917 werden de tanks even, op enkele uitzonderingen na, met rust gelaten. Er werden slechts enkele elementen ingezet, zo onder andere op 7 oktober toen twee tanks de D2 en D3 een actie moeste uitvoeren in de richting van Burns Farm en Vacher Farm. De twee tanks arriveerden echter te laat detwee boerderijen waren al ingenomen door de infanterie. De tanks wilden de infanterie ondersteunen door te vuren, maar dat lukte niet omdat zij verzonken in de modderpoel van de Lekkerboterbeek en omdat de zijstraat waarvan zij dachten dat ze nog berijdbaar zou zijn (de huidige Waterstraat) dat ook niet meer was.

 

 

Hoewel het gebruik van tanks hier nabij Poelkapelle iets positiever verliep, bleven ook tussen Sint-Juliaan en Poelkapelle, waar nu de Brugseweg is, her en der tankwrakken achter, er was zelfs een heus tankkerkhof. Net voor het huidige café de Zwaan, te midden van Poelkapelle, bleef ook een tank steken! Rond 1923 werden veel van die tankwrakken opgeruimd en ontmanteld. Voor de teruggekeerde plaatselijke bevolking was het verkopen van het ijzer van de tanks immers een dankbare bijverdienste! Gelukkig bleef één tank in Ieper en één in Poelkapelle hiervan gespaard. De tank van Poelkapelle die verzonken zat bij café de Zwaan, werd door toedoen van de toenmalige burgemeester Nevejan op de markt gesleept, naast het herdenkingsmonument van Guynemer. De tank was niet meer weg te denken uit Poelkapelle en werd samen met het monument van de Franse piloot Guynemer een attractie voor de oorlogstoeristen. Ook voor de Poelkapelse kinderen die erin, erop en er omheen oorlogje speelden was de tank een leuke trekpleister. De tank trok veel toeristen naar Poelkapelle die door hun verteer het dorp hielpen heropbouwen en rechthouden. Maar de tank zou verdwijnen in 1941, toen waren de Duitsers hier opnieuw, en ook voor hen was metaal toen kostbaar!

 

Meer artikels
ANZAC DAY 'Dawn Service' Buttes New British C /5TH Aus. Div. Memorial. 25-04-2016
Polygoonbos (Zonnebeke) België.

ANZAC Day ( Australian and New Zealand Army Corps Day) is een nationale dag van herdenking in Australië en Nieuw-Zeeland, om alle Australiërs en Nieuw- Zeelanders die dienden en sneuvelden tijdens oorlogen, conflicten en vredesoperaties te herdenken.

lees meer ...
Österreichisch - Ungarischer Soldatenfriedhof Stanjel. 14-08-2017
Stanjel Slovenië.

In een heuveldorp, gelegen op ongeveer 30 km ten zuidoosten van Ljubljana ligt er een braakliggende Oostenrijks-Hongaarse militaire begraafplaats uit de Eerste Wereldoorlog.

lees meer ...
'Schroot'. 30-03-2015
Massiges Frankrijk.

Tijdens de winterslag in de Champagne (16 februari – 20 maart 1915) verloren de Fransen alleen al ongeveer 240.000 manschappen (doden, gewonden en gevangenen).

lees meer ...