Tolmin  Slovenië.
German Charnel House 'Beinhaus'.
Tolmin Slovenië.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was het hoogtepunt hier in de regio van Tolmin de Twaalfde en laatste Isonzoslag.Deze slag werd ook bekend als de slag bij Caporetto ( in het Duits Schlacht von Karfreit) De slag vond plaats bij het huidige Kobarid en duurde van  24 oktober tot  12 november 1917. Met steun van de Duitsers boekten de Oostenrijks-Hongaarse troepen een enorme terreinwinst. De doorbraak van deze verdedigingslijnen die jarenlang in Italiaanse handen waren, zou in de militaire geschiedenisboeken benamingen krijgen als de eerste "Blitzkrieg" of “Das Wunder von Karfreit”.

 

Na drie jaar van strijd, tegen Italië, Servië en Rusland, was het leger van Oostenrijk-Hongarije in het najaar van 1917 uitgeput. Naar schatting had het Habsburgse leger van  keizer Frans Jozef I van Oostenrijk aan de Isonzo ongeveer 400.000 man (dood, vermist, gewond) verloren. Het Habsburgse Rijk had dringend hulp nodig van haar Duitse bondgenoot.

 

Duitsland bood hulp want het had er ook belang bij om het Habsburgse Rijk in de oorlog te houden. Samen vormden ze een nieuw Veertiende Leger, het bestond uit zeven Duitse en acht Oostenrijks-Hongaarse divisies. Dit leger kwam onder het bevel van de ervaren Duitse generaal Otto von Below te staan. Zijn stafchef was generaal Konrad Krafft von Dellmensingen, de oprichter van het Duitse Alpenkorps en tevens ook een expert van de strijd in de bergen. Er werd een ambitieus aanvalsplan, dat de naam Operation Waffentreue kreeg, opgesteld. Men zou vanaf twee kanten door de valleien langs de Isonzo in de richting van Caporetto aanvallen. Vanuit het noorden bij Bovec  zouden de Oostenrijkers aanvallen en vanaf het zuiden de Duitsers. Het Alpenkorps dat over de bergen moest trekken kreeg een belangrijke taak toebedeeld.

 

Zij konden gebruik maken van het Oostenrijks-Hongaarse bastion bij Tolmin, dat aan de westelijke kant van de Isonzo gelegen was. Onder Tolmin lagen  twee Italiaanse legers zij aan zij, enkel een succesvolle aanval kon de twee legers van elkaar scheiden. Het Oostenrijks-Hongaarse leger van generaal Boroevič moest de zuidflank van de opmars van het Veertiende Leger beschermen. Eenmaal men de Italiaanse linies had doorbroken dan kon de opmars naar Italië beginnen. Er waren ook genoeg reservedivisies voorzien om dit plan tot een goed einde te brengen. Hoe dan ook voor het slagen van het plan moest de Italiaanse artillerie, die in tunnels op de berghellingen rond de valleien stond geposteerd, snel uitgeschakeld worden. Treinen, men spreekt van 100.000 wagons, voerden troepen, artilleriestukken, munitie en andere voorraden aan via Oostenrijkse stations en Ljubljana. Er werden militairen van aan het West- en Oostfront, evenals 70.000 paarden, aangevoerd. Daarna moesten al die manschappen en al dat materiaal nog door de bergpassen naar de frontlijn tussen Tolmin en Bovec worden overgebracht.

 

De opbouw van het Veertiende Leger nam ruim vier weken in beslag. Uiteraard bleven al die bezigheden niet verborgen voor de Italianen. Grote delen van de Duitse strategie werden bovendien verklapt door overlopers, maar van Italiaanse kant werd daar ontoereikend op geanticipeerd. De Italiaanse opperbevelhebber, de praalzuchtige potentaat generaal Cadorna, sloot als het ware zijn ogen! De sector tussen Tolmin en Bovec werd zelfs niet extra versterkt. De ontmoeting met de Duitse oorlogsmachine, op 24 oktober 1917, zorgde bij de Italianen voor een serieuze klap, daarbij werden ze ook nog eens geconfronteerd met een nieuw Duits gaswapen, de “Gaswerfer” (de gaswerper was een mortier).

 

Een speciale groep onder leiding van luitenant en chemicus Otto Hahn, een latere Nobelprijswinnaar voor chemie, had de Duitse Gaswerfer ontwikkeld. In feite was dit een soort kopie van de Britse Livens-projector die tijdens het Brits-Franse voorjaarsoffensief in april 1917 bij de Noord-Franse stad Arras gebruikt werd. De Duitsers werden daar toen verrast door duizenden gasbommen gevuld met fosgeen, die van ongeveer op twee kilometers afstand in hun loopgraven werden geprojecteerd. Maar tegen het najaar van 1917 waren de Duitse Gaspioniere ook voorzien van dit nieuwe gaswapen. Het bereik van de Duitse gaswerper was met ongeveer 1600 meter korter dan het bereik van de Britse Livens-projector. De vulling van de gasbommen bestond uit zes liter fosgeen of difosgeen, ook bekend onder de Duitse codenaam groenkruis. Een rij van deze projectoren werd ingegraven en kon met een elektrisch circuit gelijktijdig worden afgevuurd. Op het beperkte gebied waar die gasbommen dan terecht kwamen, werd er op die manier een hoge gasconcentratie geproduceerd. Deze hoge concentratie van toxische stoffen zorgde voor een grote belasting van de gasmaskers.

 

Luitenant Hahn trok in september 1917 met andere leden van de Duitse gastroepen op verkenning naar het Isonzo-front. Om niet opgemerkt te worden trokken ze  Oostenrijkse uniformen aan. Ze zochten  naar plaatsen waar de gaswerpers het best konden worden ingezet. Tegelijk werd er ook een speciaal Gaswerferpionierbataillon 35 gevormd, zij zouden de ongeveer 900 beschikbare gaswerpers moeten installeren en bedienen. De finale keus voor de gasaanval viel op de vallei bij Ravelnik ten zuiden van Bovec. Een Italiaans bataljon had zich daar verschanst in tunnels in de bergwand en kon  met de gewone artillerie niet belaagd worden. De uitschakeling van dit bataljon was zeker noodzakelijk om het begin van de aanval, door de vallei richting Caporetto, zonder problemen te kunnen laten verlopen.

 

In de nacht van 23 op 24 oktober 1917, om 02 uur, werd langs het gehele front tussen Bovec en Tolmin met het Duits-Oostenrijkse offensief gestart. Een urenlange intensieve artilleriebeschieting martelde er de Italiaanse stellingen. Zoals gebruikelijk werden daarbij ook gasgranaten afgevuurd. Ongeveer tien procent van de afgeschoten granaten waren gevuld met gassen van het type blauwkruis en groenkruis. Vooraf uitgezochte artillerieposities en observatie- en commandoposten werden geviseerd. Het effect van het bombardement was moeilijk in te schatten, maar zeker niet alle Italiaanse artilleriestukken waren uitgeschakeld. Het vrijgekomen gas bleef wel in de dalen hangen, maar op de hogere berghellingen vervloog het snel. Maar de intense beschieting zorgde er samen met het vrijkomende gas voor chaos in de Italiaanse gelederen. Al kort na de aanvang van de inleidende artilleriebarrage vuurde de Gaswerferpionierbataillon 35 ongeveer 10 ton fosgeen af op de Italiaanse stelling bij Ravelnik. Het was een precisieaanval met een listig dodelijk wapen. Over het aantal dodelijke slachtoffers bestaat er enige obscuriteit. Volgens een Oostenrijkse lijst daterende uit 1917, afkomstig het regionaal archief van Novia Gorica, werden er na de veldslag 172 Italianen van het Derde Bataljon van het 87e Infanterieregiment van de Friuli Brigade begraven in een massagraf bij Bovec. Er bestaat echter ook een verslag van majoor Pfeil, de bevelhebber van het Duitse Gaswerferpionierbataillon, waarin hij meldde dat de gaswerking compleet was geweest: “ Enkele nog levende maar zwaargewonde Italianen werden aangetroffen, maar de ongeveer 500 man van het Italiaanse bataljon was gestikt. Slechts weinigen hadden hun gasmasker op, wat erop wijst dat ze compleet verrast waren.” Er werd ook gewag gemaakt van dode dieren. Op deze brutale manier werd het begin van de weg, door de vallei vanaf Bovec, richting Caporetto vrijgemaakt door de gaswerpers. Om 08 uur was de Oostenrijkse infanterie aan zet. Toen ze aanvielen was het een koud en nat, het was mistig en de regen druppelde uit de laaghangende bewolking. Al vanaf de berghellingen ontbrak ieder zicht op de door de vallei trekkende aanvallers.

 

In de geschiedschrijving is er nogal wat discussie over het type gas dat de Duitsers hadden ingezet op die beruchte 24 oktober 1917. Fosgeen, groenkruis, blauwkruis? Op het Oostenrijks-Hongaars frontdeel werd er vermoedelijk alleen maar met blauwkruisgranaten geschoten. Blauwkruis was geen gas maar de codenaam voor Duitse artilleriegranaten gevuld met de vaste stof Clark, dat was de abbreviatie van Chlorarsin Kampfstoff. Een beschieting met dergelijke granaten was echter ook al effectief. Bij het exploderen van de blauwkruisgranaten ontstonden er kleine partikels van de vaste stof Clark, die deeltjes werden door de gasmaskers, de modellen die niet beschikten  over stoffilters, niet tegengehouden. Dat had als gevolg dat de getroffen militair hard begon te hoesten en te niezen en ten gevolge zijn gasmasker niet meer kon ophouden. Een hoestende en niezende militair overleefde een dergelijke aanval met de stof Clark wel, maar zijn functioneringsvermogen was wel tijdelijk aangetast. Wanneer hij dan kort daarna toch bestookt werd met een hoge dosis van het giftige fosgeen, dan was de uitwerking over het algemeen wel dodelijk

 

Het Italiaanse bataljon werd vanuit Ravelnik beschoten door de gaswerpers die alleen gevuld waren met fosgeen en niet met Clark. Zo was de planning uitgewerkt door Otto Hahn en zijn kompanen. De concentratie van fosgeen in het dal waar het bataljon zich bevond, moet hoog geweest zijn. De mannen werden bovendien midden in de nacht verrast en als ze al hun gasmaskers hadden op kunnen zetten dan was de bescherming van hun verouderde maskers toch onvoldoende geweest.De Italianen namen in 1916 het Franse gasmasker model T over als hun eigen gasmasker, het kreeg de naam Polivalente Z. De daadwerkelijke werking van het gasmasker bestond uit meerdere lagen gaas die waren geïmpregneerd met chemicaliën die chloor en fosgeen moesten neutraliseren. Het Franse ontwerp dateerde al uit eind 1915 en werd begin 1916 ingevoerd in het Franse leger. Een van de problemen met het T-masker was dat men het niet vlug  genoeg kon opzetten, daardoor bood het masker niet altijd een maximale bescherming. Het Italiaanse gasmasker Polivalente Z was zeker niet het beste gasmasker en was in oktober 1917 verre van ‘polyvalent’ en het had allang vervangen moeten zijn door een beter model. Het model Polivalente Z had ook geen stoffilter die de deeltjes met de stof Clark uit de blauwkruisgranaten kon opvangen.

 

Maar een goede gasbescherming was meer dan een goed gasmasker, men moest er mee oefenen en het moest ook onderhouden worden, want anders konden de beschermende chemicaliën afbreken. Regelmatige simulaties van gasaanvallen waren een noodzakelijke training, aan het westelijk front waar de constante dreiging van gasaanvallen aanwezig was behoorde het gasmasker tot het waardevolste bezit van een krijgsman, men gooide liever zijn geweer weg dan zijn gasmasker. Doch aan het zuidelijk front was de inzet van gas een sporadisch gebeuren en dat leidde onbewust tot de verslapping van de nodige gasbescherming.

 

Rond 16 uur op de eerste dag van de aanval bereikten Duits-Oostenrijkse eenheden al de plaats Caporetto. Het omsingelingsgevecht door de Italiaanse linies heen was al binnen een dag geklaard. Daarna volgden nog twee dagen van achterhoedegevechten, doch de bevelhebber van het Italiaanse Tweede Leger, generaal Capello die toen ziek te bed lag, kon het tij niet meer keren. Op 27 oktober stonden de belagers op de Italiaanse laagvlakte. Generaal Cadorna gaf het bevel tot de algemene terugtocht. Ook het zuidelijke Derde Leger moest achteruit.

 

Niet alleen de vreselijke gasaanval bij Bovec droeg bij tot het succes, ook de aanval van het Alpenkorps bij Tolmin aan de zuidflank droeg bij aan het welslagen. Vooral de spectaculaire actie van de jonge luitenant Erwin Rommel ( de latere beroemde Duitse velmaarschalk) en zijn Württembergische Gebirgsbatallion om in enkele dagen de 1642 meter hoge bergtop Matajur te veroveren was een opvallend wapenfeit. Met minieme eigen verliezen nam zijn eenheid er 1500 man en 43 officieren krijgsgevangen. Controle van de bergen rond Caporetto maakte de verdere opmars naar het westen mogelijk.

 

Beide hier beschreven acties waren echter onderdelen van het grootscheepse offensief van 24 oktober 1917 en hadden op zichzelf zeker niet tot een complete doorbraak geleid indien de Italianen juist hadden gereageerd. Nu na de vele onzinnige Isonzo- slagen waren de Italiaanse militairen het oorlogsgeweld beu en wilden ze niet langer worden opgeofferd.  Daar bij kwam ook dat de communicatie met de diverse staven verbroken was en zonder duidelijke bevelen van hun officieren gingen de Italiaanse manschappen nu eenmaal niet tot actie over. Door de mist en laaghangende bewolking op 24 oktober 1917 ontbrak het zicht op wat er zich in de valleien afspeelde, mede hierdoor beantwoordde de Italiaanse artillerie de aanval niet direct. Of was het toch aan het Duitse gifgas te danken dat “Das Wunder von Karfreit” geschiedde?

 

De Duitse en Oostenrijkse troepen rukten in de volgende weken nog een 100 tal kilometer op tot de Piave-linie. De aanval werd daar voorlopig gestaakt, want men had tijd nodig om de aanvoerlijnen op orde te brengen. Ondertussen kregen de Italianen versterkingen, zes Franse en vijf Britse infanteriedivisies werden achter de rivier de Mincio gelegerd dat was nog eens 100 kilometer verderop. De geallieerden geloofden immers niet dat de Italianen de Piave-linie zouden kunnen houden. Toch bleek deze linie houdbaar, wat zou blijken in de latere Slag om de Piave in 1918.

 

 

De Italiaanse geleden verliezen waren hoog: 10.000 doden, 30.000 gewonden en niet minder dan 265.000 krijgsgevangenen! Dat laatste grote aantal was vooral het gevolg van de asociale manier van leiding geven die generaal Luigi Cappello er op na hield. Veel manschappen gaven zich liever over. Er werd ook veel materieel buitgemaakt, behalve allerlei materieel en voorraden wisselden hier ook 3000 kanonnen, 30.000 mitrailleurs en 2000 mortieren van eigenaar. Na deze nederlaag werd de Italiaanse generaal Luigo Cappello ontslagen. De naam Caporetto werd in Italië nog lange tijd gebruikt om een grote nederlaag aan te geven.

 

 

De Duitsers die hier sneuvelden zouden hier twintig jaar later een eervolle rustplaats krijgen in het beinhaus van Tolmin. Het Duitse ossuarium nabij de Sloveense gemeente Tolmin is gelegen op de linkeroever van de Isonzo rivier. Het werd gebouwd in de jaren 1936-1938, in de periode waar het Derde Rijk (Nazi-Duitsland) haar hoogtepunt bereikte. Het beinhaus werd gebouwd op een voormalige militaire begraafplaats waar 931 graven lagen, de werken werden uitgevoerd door een bouwbedrijf uit München. De bouwmaterialen voor de bouw werden aangevoerd via uit Zuid-Tirol. De ingangspoort werd vervaardigd met geweerlopen van Duitse Mausergeweren. De kapel zou het centrale deel van het ossuarium worden. Het interieur ervan werd met een smeedijzeren roosterwerk onderverdeeld in twee ruimtes. In de eerste ruimte werden de namen van de gedode militairen er op eikenhouten panelen gegraveerd en in de het tweede werden hun namen met verguld mozaïek aangebracht. In de kapel staat ook het graf van de onbekende soldaat waarop slechts in de zomer, alleen gedurende de zonnewende, een zonnestraal haar licht op het graf laat vallen. Onder de kapel bevindt er zich een ruimte met de overblijfselen van de gevallenen. Hier rusten nu 1046 doden die tijdens het twaalfde Isonzo offensief om het leven kwamen. Het Duitse knekelhuis bij Tolmin is de enige locatie in de omgeving van het Isonzo front waar er zo een groot aantal Duitse militairen ter ruste werden gelegd.

 

Meer artikels
Fort Rumeli Mecidiye Tabyasi. 16-03-2015
Kilitbahir Turkije.

De bewapening van het fort Rumeli Mecidiye Tabyası, of Fort No.13, bestond uit twee 280 mm L/22 en vier 240mm L/35 kannonen.

lees meer ...
Guards Division War Memorial. 30-01-2017
Londen Verenigd Koninkrijk.

Het Britse leger telde  bij het uitbreken van de oorlog  een aantal Guards (lijfwacht ) regimenten; de  Grenadier Guards, de Coldstream Guards,  de Irish Guards, de Scots Guards en de Welsh Guards.

lees meer ...
Crypte 'Gebroeders Van Raemdonck'. 20-03-2017
Diksmuide België.

Het welbekende verhaal van de gebroeders Edward en Frans Van Raemdonck werd jarenlang geromantiseerd, de vertelling van hun “Broederliefde” werd jaren uit zijn context getrokken om het Vlaamse politieke belang te dienen.

lees meer ...