Cambrai Frankrijk.
Cambrai East Military Cemetery.
Cambrai Frankrijk.

Langs een oostelijke uitvalsweg van Cambrai, net voorbij de stadsgrens, ligt de grote en fraaie militaire begraafplaats van Cambrai. Deze begraafplaats is in een aantal opzichten bijzonder. Tijdens de vier jaar durende bezetting groeide Cambrai uit tot een belangrijk logistiek centrum voor het Duitse leger. De Duitsers richten er een groot aantal veldhospitalen in. De gewonden die er overleden en de op het front gesneuvelde soldaten werden eerst op de begraafplaats Porte de Paris ter aarde besteld. In maart 1917 legde de bezetter een nieuwe begraafplaats aan langs de weg naar Solesmes. Al spoedig werd deze begraafplaats gebruikt voor in de hospitalen van Cambrai en op het front gestorven militairen van alle nationaliteiten: Duits, Brits en Frans. Het is namelijk een van de weinige begraafplaatsen langs het Westelijk Front waar Duitse en geallieerde doden samen gebracht zijn. Er liggen 10.685 Duitsers, zes Roemenen, 192 Russen en 502 Britten begraven volgens opgave van de Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge. Van de Duitsers liggen er 2.746 in een massagraf. De Roemenen en Russen liggen onder een Frans kruis, terwijl de meeste Britten apart begraven zijn in de aanpalende Cambrai East Military Cemetery zodat het net lijkt of ze toch niet onder het kruis verenigd wilden worden. Er liggen ook 26 Duitse joden onder een boven afgeronde rechte grafsteen. De begraafplaats werd in maart 1917 door de Duitsers begonnen. In april 1917 groeide de begraafplaats gestaag vanwege de slag bij Arras. De slag bij Cambrai (november/december 1917), het Michaelsoffensief (maart 1918) en het eindoffensief (september/oktober 1918) liet deze begraafplaats uitgroeien tot zijn huidige grootte.

 

 

Op 11 augustus 1918 werd de zorg over de begraafplaats door de Duitse commandant van Cambrai, die van Beierse komaf was, overgedragen aan het stadsbestuur. Na de wapenstilstand vond een herschikking onder regie van de IWGC (Imperial War Graves Commitee, de voorganger van de CWGC) plaats. De Britse graven werden samengevoegd in twee nieuwe gevormde Britse secties. Bijzonder aan deze begraafplaats zijn de authentieke, met zorg gemaakte Duitse monumenten en zerken. In tegenstelling tot de meeste Duitse begraafplaatsen in Frankrijk en België liggen de Duitse militairen niet onder een zwart kruis of donkere steen, maar onder een witte steen. Het is een mythe dat de Duitsers verplicht waren volgens het Verdrag van Versailles hun doden onder een donker kruis of steen te begraven omdat zij nu eenmaal in de ogen van de overwinnaars de slechteriken waren. Wit zou alleen voor de geallieerde gevallenen mogen worden gebruikt als teken dat zij aan de goede kant stonden. De witte stenen zijn overigens pas na 1977 geplaatst toen de begraafplaats opnieuw ingericht werd en de vele provisorische betonnen en houten kruisen vervangen werden. En zestig jaar na de aanleg van de begraafplaats, en mede gezien de goede Frans-Duitse relatie in 1977, was een eventuele discussie over witte stenen of donkere kruisen zeker niet meer aan de orde.

 

 

Das Schwert trennt – Das Kreuz vereint  ( het zwaard verdeeld – het kruis verenigt) staat er gebeiteld op een van de monumenten op de grote, Duitse begraafplaats. De tekst, eveneens vermeld in het Russisch, Engels en in het Frans, heeft ongetwijfeld de bedoeling gehad om uit te dragen dat na de strijd de doden uit de verschillende oorlogvoerende landen zich verzoend hebben en daardoor op een gezamenlijke plaats kunnen rusten.  Op de begraafplaats bevinden zich nog drie monumenten die de verzoening van de gevallen manschappen van de strijdende partijen moet symboliseren. Deze drie monumenten dragen de karakteristieke helmen van de krijgsmannen, namelijk de Duitse Stahlhelm, de Franse Casque Adrian en de Britse Tin Hat. Ieder van deze drie monumenten wordt omringd door de graven van een tegenstander. De gedenksteen met de Stahlhelm staat te midden van een vierkant met Britse graven en de gedenkstenen met de Casque Adrian en de Tin Hat worden omgeven door Duitse graven. Midden op begraafplaats staat het grootste monument, het stenen Hochkreuz, met op het omringende muurtje een Franse en een Duitse helm.

 

Het oogt nu allemaal heel vredig en men zou anno 2017 bijna vergeten hoe honderd jaar daarvoor de tegenstanders elkaar in het gebied rond Cambrai naar het leven stonden. Hoe het er hier toen aan toe ging is echter  wel na te lezen in Ernst Jüngers  boek: “In Stahlgewittern”. Daarin beschreef hij een tegenaanval tegen de Britse stellingen: “Achter elke ingenomen schouderwering troffen we lijken of nog stuiptrekkende lichamen aan. Je doodde zonder elkaar te zien. Ook wij leden verliezen. Vlak naast de ordonnans plofte een stuk ijzer op de grond dat hij niet meer kon ontwijken. Hij viel neer en uit allerlei wonden sijpelde zijn bloed in de modder”.

 

Op deze Duitse begraafplaats van Cambrai rusten ook een aantal manschappen en piloten van het fameuze Jasta (Jagdstaffel) Boelcke. De bevelhebber van de Jasta Boelcke, Oswald Boelcke, overleed zelf op 28 oktober 1916. Eén van de piloten van Jasta Boelcke was Kurt Franke (blok 2/graf 12), hij behoorde dus tot de beroemde Jasta 2 "Boelcke" en werd op 20 mei 1917 te Ecourt St Quentin zwaar gewond in luchtgevechten. Hij overleed aan zijn verwondingen op 1 juni 1917 te Aniche.Een andere piloot die hier begraven ligt is Leutnant Ludwig Hanstein (blok 6/graf 470), 26 jaar. Hij was een Duitse luchtaas met 16 gehomologeerde overwinningen.  Luitenant Hanstein was de commandant van Jasta 35 toen hij op 22/08/1918 te Morchies bij Bapaume rond 18 uur, door twee Britse luchtazen, Sellars en Robson N°11 Sqn, RFC, neergehaald werd en stierf.

 

 

Het is merkwaardig maar op deze begraafplaats liggen er niet zoveel Duitsers die vielen tijdens de slag bij Cambrai (20 novemebr 1917 tot 7 december 1917) Eén van de Duitsers die wel tijdens de Cambrai slag viel en hier begraven werd is Leutnant der Reserve Helmut Methner. Hij werd geboren op 23.11.1892 in Lobsens, Kreis Wirsitz (Posen), vandaag Lobzenica in Polen. Hij was Ordonnanzoffizier bij de III. Abteilung van het Feldartillerie-Regiment 44. Hij sneuvelde bij Höhe 100 voor Bourlon op 22 november 1917 en ligt begraven in Block 8 Grab 139. Feldartillerie-Regiment 44 behoorde tot de 214. Infanteriedivision. Op 20 november 1917 kreeg de divisie nieuwe bevelen en werden haar eenheden, na de Britse aanval richting Cambrai, naar het front van Cambrai gestuurd. De divisie kreeg de sector Sainz-les-Marquion - Bourlon toegewezen. De artillerie kreeg ook plaatsen aangewezen waar ze in stelling moest gaan. Voor de III. Abteilung was dit ten noordwesten van Bourlon. Infanterie-Regiment 50, dat ingezet was aan de zuidelijke rand van het dorp Bourlon, kreeg op 21 november 1917 al af te rekenen met Britse tankaanvallen en leverde harde gevechten. 

 

Op 22 november kregen Leutnant Methner (Ordonnanzoffizier III. Abteilung) en Wernscheid (8. Batterie) het bevel om geschikte posities voor anti-tankkanonnen te zoeken ten westen van het dorp Bourlon. Beide officieren voerden dit bevel uit en nadat geschikte locaties gevonden waren, trokken ze op eigen initiatief verder om zich een beeld te kunnen vormen van de huidige situatie. Zonder Duitse infanterie tegen te komen, stuitten beiden plots op tanksporen die in de richting van een holle weg in de richting van Anneux liepen. Ze werden plots beschoten door artillerievuur en besloten dekking te nemen. Toen het artillerievuur in sterkte afnam, gingen de Duitsers verder op zoek, tot ze er onverwacht op Britse troepen stootten, ongeveer 1 kilometer ten noordoosten van de suikerfabriek. De patrouille moest dekking zoeken in verschillende richtingen, men trok zich terug en verloor elkaar uit het oog. Korte tijd later werd Leutnant Methner door een infanteriekogel gedood. De verkenningen die dag, ook door een andere officier van het regiment, wezen de Duitsers op het bestaan van een grote opening in de Duitse lijn en de aanwezigheid van een holle weg die door de Britten gebruikt werd om hun aanvallen voor te bereiden. Deze weg werd daarop onder artillerievuur genomen.

 

Een andere al dan niet hier begraven Duitse militair die viel tijdens de Cambraislag was spookkanonnier Unteroffizier Théodore Krüger. De gevechten bij het dorpje Flesquières gaven aanleiding tot het bekende mythische verhaal van de “phantom gunner” (spook-kanonnier). Er werd verteld dat een eenzame Duitse officier of onderofficier hier bij het dorpje in zijn eentje verantwoordelijk was voor de vernietiging van bijna alle Britse tanks, en dat hij dan met het pistool in de hand bij zijn kanon sneuvelde! Nu, in dergelijke vertelsels is het altijd moeilijk om de fantasie van de realiteit te scheiden.

 

Op dinsdagmorgen 20 november, rolden Britse tanks in de richting van Flesquières, een groot aantal tanks werden met de hulp van veldartillerie uitgeschakeld. Maar aan de zuidrand van Flesquières, bij het kasteel, zou één stuk veldgeschut bediend door één overlevende van de bemanning verantwoordelijk zijn voor het uitschakelen van 28 tanks van de in totaal 40 die voor Flesquières werden uitgeschakeld. Maar er zijn ook bronnen die vertellen dat de actie van de “Phantom gunner” of "Lone Gunner" aan de andere kant van het dorp plaats vond. Deze bizarre gebeurtenis kon door de Duitser nooit bevestigd worden, en ook de precieze plek kon niet aangewezen worden. Vermoedelijk is het verhaal van de Phantom gunner van Flesquières een Brits hersenspinsel! Nu er was niet alleen in Flesquières een spookkanonnier gespot, maar ook in Graincourt deed een dergelijk verhaal de ronde! In het Brits museum (Bovington) staat “the Graincourt gun” tentoongesteld, een Duits stuk veldgeschut waarvan eveneens beweerd wordt dat het op 20 november 1917 bij Graincourt meerdere tanks heeft uitgeschakeld.

 

Wat wel waar was, was dat aan beide zijden van Flesquières het Britse tankwapen afschuwelijke verliezen geleden had en zo ontstond daar blijkbaar het verhaal van een eenzame Duitse officier of onderofficier. Sommige bronnen vermeldden de onderofficier Theodor Krüger (8. Batterie ) die een stuk geschut nog eigenhandig bleef bedienen totdat hij zelf ook werd gedood. Het verhaal  wil dat hij aan de oostzijde van het dorp, geheel alleen verantwoordelijk zou zijn voor de verliezen van het E Battalion, minstens zestien tanks,. Maar in werkelijkheid werden de tanks uitgeschakeld door meerdere stukken veldgeschut. Doch het verhaal bleef toch hardnekkig voortleven en zelfs Douglas Haig maakte melding van deze heldhaftige Phantom Gunner. De Britse opperbevelhebber schreef: “Veel van de verliezen onder onze tanks bij Flesquières werden veroorzaakt door een Duitse artillerieofficier die, als enige overlevende van zijn batterij, een stuk veldgeschut bleef bedienen totdat hij sneuvelde. De grote moed van deze officier verdiend ieders bewondering.”

 

Pas aan het eind van de jaren twintig, na een grondig onderzoek onder de overlevenden van de slag, zou inderdaad vastgesteld worden dat het vrijwel zeker om Krüger ging. Hij was het laatst gezien toen hij, nadat iedereen om hem heen gesneuveld of gewond was, met zijn pistool in de hand dodelijk getroffen werd. Theodor Krüger werd op 4 november 1887 in Garwitz geboren en hij overleed op 10 december 1917 in krijgsgevangenschap, en niet in Flesquières zoals de legende het verhaalt. Theodor was onderofficier bij het FeldArtRegt.108. Op 20 november streed hij inderdaad in Flesquières. Nadat de batterij, vier 7.7cm kanonnen (FK 96 n.A), waartoe hij behoorde uitgeschakeld was, bediende hij als laatste overgeblevene één van de kanonnen en bestookte er de naderende tanks. Toen Britse troepen de Duitse stellingen binnendrongen zette hij de strijd verder en vuurde met een pistool. Uiteindelijk raakte hij gewond en werd gevangen genomen. Théodore Krüger bezweek 20 dagen nadien aan zijn verwondingen, hij lag toen in een Brits militair hospitaal.

 

Waar hij juist begraven ligt, is onduidelijk. In Cambrai werd er een Unteroffizier Théodore Krüger begraven maar de sterftedatum duidt aan dat hij overleed op 20 november 1917.Een andere Unteroffizier Krüger werd begraven in Mont Huon in Le Treport. Hij overleed op 10 december 1917, hier klopt de datum van het overlijden wel, maar de voornaam niet! Hier is er sprake van Unteroffizier Johann Krüger? Nu, gezien hij overleed in Britse gevangenschap zou het logisch zijn dat hij in Mont Huon begraven werd, er liggen daar meer dan 200 Duitsers.

 

Dit verhaal was bij de Duitsers helemaal niet gekend, pas lang na de oorlog zouden zij het Britse verhaal van de spook-kanonnier te horen krijgen. Het verhaal verscheen in de Britse kranten en kwam zo in Duitsland terecht en uiteraard zou ook de Nazipropaganda dit heldenverhaal gebruiken. In Keulen werd er in 1936 zelfs een standbeeld opgericht voor deze heldhaftige kanonnier, die ze graag bestempelden als een voorbeeldige Duitser. In het voorjaar van 1945 werd de gedenksteen vernietigd door de oprukkende troepen van de U.S.A. In juni 1966 kreeg een militair onderkomen in het Duitse Kusel de naam de “Unteroffizier Krüger Kaserne.”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Meer artikels
'Britse Waterput'. 29-06-2015
Gully Ravine Turkije.

Na een bombardement van twee dagen begon op 28 juni ’15, om 10 u45, de strijd bij Gully Ravine (28 juni tot 5 juli).

lees meer ...
German Charnel House 'Beinhaus'. 13-11-2017
Tolmin Sloveniƫ.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was het hoogtepunt hier in de regio van Tolmin de Twaalfde en laatste Isonzoslag.

lees meer ...
Trenches 'Danger'. 28-09-2015
Vimy Frankrijk.

De gecombineerde  Frans-Britse  aanval in Artois  in september 1915, die geleid werd door de Franse generaal Foch, besloeg een front van 32 km breed.

lees meer ...