Ayette Frankrijk.
Ayette Indian & Chinese Cemetery.
Ayette Frankrijk.

Het Britse Ayette Indian & Chinese Cemetery werd oorspronkelijk in september 1917 door Britse gevechtstroepen aangelegd en bleef tot april en in de herfst van 1918 in gebruik. De begraafplaats ligt aan de Vieux Chemin de Bucquoy op 330 m ten zuiden van het gemeentehuis. Gedurende het Duits Lenteoffensief van maart 1918 lag Ayette te midden van zware gevechten en kwam in Duitse handen. Kort nadien, op 3 april daaropvolgend, werd het heroverd door de Britse 32e divisie. Ayette bleef nu in geallieerde handen tot het einde van de oorlog.

 

Op de kleine begraafplaats rusten manschappen van het Indische leger, arbeiders van het Indian Labour Corps en Chinezen van het Chinese Labour Corps. Er ligt ook één Duitser, infanterist Heinrich Vodische,begraven. Volgens de Commonwealth War Graves Commission liggen hier 64 geïdentificeerde doden begraven. Over het aantal doden op Ayette Indian & Chinese Cemetery loopt het aantal nogal uiteen, dat naargelang de geraadpleegde bronnen, daarom vermelden wij het officiële cijfer van de C.W.G.C. Volgens een bepaalde bron zou onder de Chinezen zelfs één arbeider liggen die onder Frans bevel diende? Op de dodenlijst van de C.W.G.C vinden we hier niets over terug.

 

Zoals op  quasi elke militaire begraafplaats van de Commonwealth zijn de graven keurig gerangschikt. Hier rusten vooral vrijwillige arbeiders, gerekruteerd om logistieke militaire taken te verrichten. In de loop van de oorlog waren de geallieerde legers genoodzaakt om hun logistieke organisatie, die een steeds groter aantal manschappen van het slagveld hield, uit te breiden. De Britten deden hiervoor beroep op vrijwillige krachten uit diverse landen, ze wilden manschappen uit allerlei administratieve en logistieke functies weghalen om hen op de slagvelden in te zetten. Het Labour Corps (werkkorps) stond onder militair bevel en bestond uit 100.000 Egyptenaren, 21.000 Indiërs en 20.000 Zuid-Afrikanen, de Chinese sectie (Chinese Labour Corps) van het Britse leger telde tegen het eind van de oorlog 96.000 man.

 

 

Elke arbeider ondertekende een contract met het British Emigration Bureau, de werknemer werd officieel ingeschreven als koelie. The Oxford Dictionary beschreef het woord als: een inheems gehuurde arbeider of drager uit India, China of andere inheemse landen. De militaire wet werd niet genoemd in de bepalingen van het contract, maar wanneer de arbeiders in Frankrijk aankwamen werden zij wel onder deze wet geplaatst. Ze waren niet alleen onderworpen aan boetes, als clausule aangebracht in hun contract nadat zij ermee akkoord waren gegaan, maar ook aan de straffen die opgelegd werden door het Britse leger onder het militair recht. Er waren veldstraffen waarbij ze een zeer zware fysieke arbeid moest verrichten, zoals continu marcheren of het graven van loopgraven met volle bepakking, gekleed in 'greatcoat' (kapotjas). Deze straffen werden niet opgelegd aan medische verzorgers en tolken, zij waren beter opgeleid en dus beter in staat om op een effectieve manier klachten neer te leggen.  Men kon ook worden veroordeeld. De krijgsraad kon een gevangenneming opleggen in de Chinese gevangenis van Noyelles, die was ingericht door het leger op verzoek van luitenant-kolonel Bryan Fairfax, hoofd van de afdeling waaronder de Chinezen terecht kwamen. De krijgsraad kon ook de doodstraf opleggen. Wanneer deze was uitgevoerd of de ter dood veroordeelde stierf door een andere zaak dan moest het lichaam naar zijn oorspronkelijke compagnie worden overgebracht om begraven te worden. Tijdens de oorlog werden tien Chinese arbeiders geëxecuteerd. 

 

In de winter van 1916 ( voordat de eerste Chinezen arriveerden om de Britten te helpen) was er sprake van werk uit te voeren aan het Franse spoor vooral aan de kleinere trajecten. Het Franse spoorwegnet verkeerde toen in een slechte staat, dat kwam door de intensive belasting door het vervoer van troepen, materialen en machines naar het front. Men vroeg zich af of het mogelijk was om de eerste 6000 Chinezen in te zetten om te werken aan de spoorwegen.Volgens luitenant-kolonel Fairfax was dat onmogelijk want men had te kampen met rekruteringsproblemen. Enerzijds omdat de Duitsers een ontmoedigingsbeleid voerden in China om dienst te nemen, en anderzijds omdat het voor de Chinezen moeilijk was om naar het depot in de havenstad Weihaiwei (het huidige Weihai), gelegen in Noord China, te komen. Dat zorgde er ook voor dat elke Chinees die zijn neus liet zien in Weihaiwe aangenomen werd, dat resulteerde in een groot uitvalpercentage wegens ongeschiktheid. Door de snelle rekrutering zat ook veel uitschot tussen de Chinese arbeiders. Terwijl  bij de rekruteringsbureaus in China posters hingen met de tekst 'de arbeiders worden niet op gevaarlijke plaatsen te werk gesteld', waren er echter in december 1917 al ruim 60 arbeiders gedood en ruim 100 gewond geraakt.

 

De reis naar Europa  was ook niet zonder gevaar. Op 24 februari 1917 werd het Franse schip Athos in de Middellandse Zee door een Duitse U-boot getorpedeerd. 543 Chinese arbeiders verloren daarbij het leven,...

 

Op 19 april 1917 kwamen de eerste Chinezen van het pas opgerichte Chinese Labour Corps (CLC) aan wal in Le Havre. Van daaruit werden zij naar Noyelles-sur-Mer overgebracht, waar zich het centrale kamp van het CLC bevond. Bij hun aankomst in het kamp in Noyelles werd hen de eerste beginselen van het militair recht uitgelegd. Ondanks het feit dat zij onder het militair recht vielen, waren zij toch geen militairen en als zodanig gerekruteerd. Het Britse recht gaf echter geen definitie van een soldaat. Het woordenboek vertelde ons dat een soldaat iemand is die lid is van een leger, en het Chinese Labour Corps was in zijn geheel opgenomen in het Britse leger. Het feit dat de mannen niet betrokken waren bij de gevechten maakte blijkbaar niets uit. Gedurende de drie jaren van dienst waren de Chinezen geen vrije arbeiders. Ze werden te werk gesteld bij defensiewerken en op andere militaire plaatsen in de gebieden waarin het leger opereerde. De Chinezen hadden zeker niet dezelfde voorwaarden als andere burgerarbeiders en werden behandeld naar militaire maatstaven. 

 

Omdat hun namen voor westerlingen nauwelijks uit te spreken waren, kregen de Chinese arbeiders een nummer dat ze de hele duur van de oorlog aan een polsband moeten meedragen. Buiten de werkuren mochten ze zelden of nooit hun kampement verlaten, verordening 2745 van het Britse leger verbood hen de toegang tot Belgische en Franse cafés. Enkel filmvoorstellingen en opleidingen van het YMCA zorgen bij hen voor enige ontspanning.

 

Na hun aankomst werden de Chinezen regelmatig te werk gesteld in andere zones dan genoemd in het contract, zoals aan de wegen, de scheepswerven, tankwerkplaatsen, bevoorradingsmagazijnen en in velden en bossen. Bij de Britten werkten blijkbaar geen van de Chinese arbeiders in fabrieken of in mijnen. De Chinezen die door de Fransen waren gerekruteerd echter wel. Voor augustus 1917 was China een neutraal land. De Chinese regering liet Chinese burgers rekruteren, zodat de oorlogsdoelen van de Britten en Fransen konden worden bereikt. Het Britse antwoord op Duitse kritiek luidde, dat de Chinezen zeker geen strijders waren. Toen China in augustus 1917 in de oorlog trad aan geallieerde zijde, zeven maanden nadat het eerste contingent arbeiders Weihawei verliet, kon het Chinese Labour Corps een integraal deel worden van de Britse legers of gereorganiseerd worden tot een zelfstandig Chinees leger.

 

 

Hun contract was meestal voor een periode van drie ( tot vijf) jaar. De werkgever had de vrijheid om op elk moment na een jaar en een waarschuwing, na zes maanden, of onmiddellijk na misdraging of grove nalatigheid het contract te beëindigen, dat met vrije terugtocht naar China. Dit betekende voor de eerste Chinezen die in 1916 vertrokken, een diensttijd tot en met 1919. Het betekende ook dat de Britten het contract na een aankondiging van een half jaar voor het beëindigen van het eerste jaar konden verbreken, dat terwijl een contractbreuk van de arbeider hem onherroepelijk in aanraking bracht met de krijgsraad. De gebruikelijke bestraffingen voor wangedrag waren stopzetting van betaling van loon en het stoppen met verstrekken van voedsel en kleding, eerder dat dan het terugsturen naar China. Het werkbriefje moest dagelijks afgetekend worden, zo kon men zien wanneer de arbeider ziek was, waarop dan inhouding van loon volgde. Onder het Franse contract kregen de arbeiders nog een betaling van vijftig centimes per dag, tot zes weken na aanvang van de ziekte. Daarna stopte de uitbetaling en werd de man gerepatrieerd.  De Britse militairen werden wel doorbetaald bij ziekte, de Chinezen niet. Dit was een puur economische factor en het had ook tot gevolg dat men eerder aan het werk ging na ziekte of verwonding. Ziek worden was eigenlijk een straf. Voedsel werd niet ingehouden stond in het contract. Dit had tot doel een verzachtende omstandigheid te creëren zodat men in China zonder het loon toch te eten had, dat was dan weer aantrekkelijk bij de rekrutering. Wanneer de uitbetaling gestaakt werd was dit voor de familie in China de enige indicatie dat de kostwinner ziek was. Geld voor het onderhoud van degenen die afhankelijk waren van de arbeider werd dus uitbetaald in China. Deze regeling was aantrekkelijk voor de arbeider en zijn familie.

 

De verdiensten: Arbeiders kregen 1 frank per dag. Ploegbaas (over 6o man) 1,5 frank per dag. De verdienste, naar Europese normen, was dat ongeveer vier maal zoveel als de arbeiders konden verdienen in een Shantung-fabriek (zijdefabriek). Die ene frank was iets meer dan de helft van wat een Britse soldaat kreeg.

 

De Chinezen die in Europa arriveerden, werden ingedeeld in compagnieën van telkens 500 man met daarbij één of twee tolken.  Een compagnie bestond uit: 24 Britse onderofficieren, de commandant (een majoor of kapitein), vier subalterne officieren, een compagnie sergeant majoor, een compagnie sergeant-foerier, acht sergeanten en negen korporaals, inclusief een korporaal kok. En dan waren er 476 Chinezen. Van deze Chinezen waren 443 gewone arbeiders. De 33 voormannen, tolken en klerken verdienden dus 1,5 frank per dag. De arbeiders hadden geen militaire rang. Maar ze hadden wel rangen zoals: ploegbaas, 1ste voorman, 2e voorman, 3e voorman en koelie. 
De contractuele bepaling voor de duur van de werkzaamheden handelde wel over de lengte van de periode van dienst, maar niet over het tijdstip waarop de betalingen ingingen. Men had besloten de betaling te beginnen bij de inscheping, behalve voor verplegers, vertalers en Chinese dokters, welke betaald werden vanaf de aankomst in het depot in China. Men heeft overigens geen enkel spoor teruggevonden van ook maar één Chinese dokter die naar het front kwam. De mannen werden gewoonlijk betaald op de derde of vierde dag van elke maand. De instructie aan de officieren luidde: “iedereen heeft een werkbriefje in een metalen kokertje, met zijn registratienummer (de naam was niet van belang), en men weet dat bij verlies niet wordt uitbetaald”!  Deze werkbrief werd elke dag getekend door een officier of onderofficier. Een W. betekende een hele dag werk en een F. het verlies van1 dag werk, dat kwam bijvoorbeeld door ziekte of straf. 

 

De Chinezen die voor de Fransen werkten in overeenstemming met de bepalingen van het Hui Min contract, hadden beduidend meer vrijheid en werkten over het algemeen meer onder de mensen in civiele banen. Zij werden ook beter betaald, vijf tot acht frank per dag was niet ongewoon. Er was wel een dagelijkse inhouding van 25 centimes voor kleding en schoeisel en 25 centimes voor kosten bij ziekteverzuim en een levensverzekering. De lonen zoals betaald door de Fransen werden door de Britten beschreven als fantastisch. Over het algemeen waren de 'Franse' Chinezen meer tevreden dan de Britse. Ze werden door de Franse officieren ook democratischer en minder racistisch behandeld. 

 

De Chinezen van het CLC verbleven in hutten van circa 40 man. Er was zeker een ontevredenheid bij sommige arbeiders, omdat de huisvesting tegen viel. Vele honderden van hen hadden voorheen in de goudmijnen in Transvaal (Zuid Afrika) gewerkt. Bij de leefomstandigheden met daar vergeleken, viel het leven in Frankrijk en de Westhoek nogal tegen. Verder waren ook klachten over de veiligheid. De Britse kampen hadden het grootste aantal Chinezen, te weten 1000 a 3000 per kamp. De Franse kampen huisvestten er meestal rond de 250, met uitzondering van een paar grotere kampen met circa 2000 Chinezen. In de meeste gevallen lag de verantwoordelijkheid voor het uit te voeren werk bij de Chinese ploegbazen. De Chinese arbeiders hadden inspraak en dat was waarschijnlijk de reden waarom een en ander meestal goed verliep. Tijdens werkzaamheden kwamen wel diverse nationaliteiten bij elkaar, maar eten en slapen gebeurde gescheiden van elkaar.

 

In de Westhoek kwamen ongeveer 12.000 Chinezen terecht, daar werden ze nogal denigrerend ''Tsjings' genoemd, dat werd afgeleid van het – eveneens denigrerende – Engelse 'Chinks'. Overigens hadden de Chinese arbeiders ook geen te beste reputatie bij de plaatselijke bevolking, voor de meesten was het de eerste keer dat ze Aziaten te zien kregen. Op 18 juli 1917 noteerde Poperingenaar Albert Baert in zijn dagboek: “We zien enige honderden Chinezen toekomen om te werken. Er zullen er nog honderden volgen. In de regio Poperinge komen er kampen in Reningelst, Proven, Sint-Jan-ter-Biezen, Abele en langs de weg Poperinge-Ieper. Het aantal arbeiders dat samenleeft in zo’n kamp kan oplopen tot enkele duizenden.”

 

Nadat onderpastoor Achiel Van Walleghem in augustus 1917 voor het eerst Chinezen had ontmoet schreef hij het volgende neer in zijn dagboek: "Geel van kleur, met platten neus en scheve ogen hebben zij bijna altijd eenen dwazen glimlach over zich en kijken bijna gedurig rond, zodanig dat het te verwonderen is dat er op onze overlemmerde wegen nog geene verongelukt zijn. ‘t Zijn grote kinders, en men moet ze ook behandelen als kinders. Daarom om er order in te houden moet men slaande argumenten gebruiken en alzoo hebben hunne sergeanten een dunnen ijzeren roede, die nu en dan eens op het vel van de mannen nedervalt."’t Zijn curieuse gasten en zeer kinderachtig van manieren, niet beter dan onze jongens van 10-11 jaar oud".

 

De eerste Chinezen die huiswaarts werden gerepatrieerd, verlieten Frankrijk in november 1918. Begin december ontstond er geharrewar over de repatriëring van de Chinezen. De Canadese oceaanstomers, de Empress of Asia en de Empress of Russia, die de Chinezen zouden terugbrengen naar China, moesten worden ingezet voor militaire- en handelsdoeleinden. Het Britse hoofdkwartier in Frankrijk voelde helemaal niets voor een snelle repatriëring, er was immers nog veel werk te doen zoals: het ruimen van munitie, vullen van granaattrechters, het verwijderen en oprollen van prikkeldraad en het bij elkaar rapen van stoffelijke resten. Indien al de Chinezen gerepatrieerd zouden worden dan moest men die vervangen door burgerarbeiders, dat zou een beduidend hoger kostenplaatje met zich meebrengen. In mei 1919 telde men nog 80.000 Chinezen aan het Westfront, die werden vooral ingeschakeld bij het opruimen van de verwoeste gebieden.

 

De Chinezen hadden weinig te kampen met ziektes. Van de 94.700 Chinezen in Frankrijk en de Westhoek lagen er in totaal 1500 in het ziekenhuis. 1834 verloren het leven en 32 werden als vermist opgegeven. Op de terugreis naar China kwamen nog eens  279 om het leven op zee. 

 

100 jaar geleden op 1 maart van 1918 stierf  ook de arbeider Ng Kan Tun van Birma die werkzaam was bij het  Indian Labour Corps.

 

Meer artikels
Chester Farm Cemetery. 23-05-2016
Zillebeke (Ieper) België.

De begraafplaats Chester Farm Cemetery ligt aan de rand van het provinciedomein De Palingbeek.

lees meer ...
Feste Grossherzorg 'Hotell zum schönen Aussicht'. 24-11-2014
Hartmannswillerkopf (Vieil Armand) Frankrijk.

Na de terugtocht van de Fransen uit de Elzas, eind augustus 1914, liep de frontlinie daar nu min of meer langs de Frans-Duitse grens van 1871.

lees meer ...
Ataturk nabij: Canakkale Memorial voor de Turkse Martelelaren. 04-05-2015
Morto Bay ( Seddülbahir) Turkije.

Generaal Hamilton stuurde op 27 april 1915 een telegram naar Londen, waarin hij berichtte dat alles naar wens verliep en dat de 30.000 Britten aan land waren.

lees meer ...