Neuville-Saint-Vaast Frankrijk.
La Targette, le cimetière miliaire tchécoslovaque et son mémorial
Neuville-Saint-Vaast Frankrijk.

Het blijft onwaarschijnlijk op hoeveel kleine en grote verdrongen verhalen uit de twee wereldoorlogen je botst tijdens een fronttour door Frans-Vlaanderen. Eén van die vele vergeten geschiedenissen is het verhaal van het Tsjecho-Slowaakse militaire begraafplaats aan de Route Departementale nr. 937 in La Targette,  tussen Arras en Bethune, ten noorden van Neuville-Saint-Vaast. De Tsjechen en Slovaken maakten in 1914 nog deel uit van de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie en heel wat politieke bannelingen die in Frankrijk verbleven zagen in het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog een kans om zich los te weken van het Oostenrijke juk en meldden zich als oorlogsvrijwilligers bij het Franse Vreemdelingenlegioen. In mei ‘15 streden zij mee bij La Targette en leden er 80 % verliezen. Het was dan ook niet verwonderlijk dat deze plaats in 1925 uitgekozen werd als locatie voor een Tsjecho-Slowaaks gedenkteken. 

 

Zeventig van deze Tsjecho-Slowaakse oorlogsvrijwilligers - die opvallend vaak onder een alias dienst namen- kregen bij La Targette een laatste rustplaats, maar op deze plaats liggen er ook 136 oorlogsvrijwilligers begraven die tijdens de Tweede Wereldoorlog om het leven kwamen, onder hen 29 vliegeniers.  Niet alle zeventig graven uit WO I bevatten stoffelijke resten want symbolisch worden hier ook 23 vrijwilligers herdacht die bij de aanval op 9 mei '15 in deze omgeving vermist raakten. Het monument te midden van de begraafplaats werd in 1925 onthuld en in 1968 werd dan het herdenkingsgebouw achter op de begraafplaats onthuld.  Op de sokkel van het gedenkteken te midden van de dodenakker lezen we de tekst “Ils ont combattu pour leur patrie et pour la France. Ils ont choisi de mourir pour la liberté” (Zij streden voor hun vaderland en voor Frankrijk. Zij verkozen te sterven voor de vrijheid). De witte Latijnse kruisen werden op de zelfde manier gemarkeerd als de Franse graven.

 

In de loop van de oorlog vormden er zich in de landen van de Entente legereenheden van Tsjechische en Slowaakse vrijwilligers, hun doel was om mee te strijden aan de zijde van de geallieerden en om zo hopelijk de geallieerde steun te krijgen voor de oprichting van de onafhankelijke staat Tsjecho-Slowakije, want toen was het nog een gebied dat behoorde tot het Oostenrijks Hongaarse Rijk. Al sinds 1914 werden er kleine gewapende eenheden van Tsjechische en Slowaakse vrijwilligers opgericht om de Triple Entente te steunen in de strijd. Door de steun van naar het buitenland geïmmigreerde intellectuelen en politici zoals Tomáš Masaryk en Milan Rastislav Stefanik zouden de Tsjechische legioenen uitgroeien en tienduizenden manschappen tellen in hun rangen.

 

De benaming legioenen, legionairs, kwamen het eerst in Frankijk in gebruik, dat kwam omdat men de vrijwilligers daar aanvankelijk in het Vreemdelingenlegioen ondergebracht. (De term "legioen" werd niet op grote schaal gebruikt tijdens de oorlog, maar wel onmiddellijk nadien). In Rusland daarentegen bleef men zich lang dobrovoltsy (vrijwilligers) noemen. Wellicht omdat de naam ‘legioen’ te zeer geassocieerd werd met de Poolse combattanten van Pilsudski welke aan de kant van de Centralen stonden.

 

 

Aan het westfront en in Italië konden de Tsjechen en de Slowaken gezien hun geringe getalsterkte, in beide gevallen minder dan 10.000 man, geen belangrijke rol spelen. Hun optreden was er meer één van symbolische waarde, en dat hoezeer zij zich ook in de verschillende sectoren van die fronten onderscheidden. In Rusland echter, waar het Tsjecho-Slowaakse legioen uiteindelijk ongeveer 100.000 man telde, groeiden zij tijdens de chaotische toestanden van revolutie en burgeroorlog uit tot een belangrijke machtsfactor. Hun optreden was er voor de zegevierende mogendheden wel doorslaggevend in de erkenning van de Tsjecho-Slowaakse ambities, en in 1918 zou de onafhankelijkheid van Tsjecho-Slowakije een feit worden.

 

In de vredestijd van vóór 1914 waren er nauwelijks Tsjechen, om van Slowaken nog niet te spreken, die zich een politieke toekomst van hun volk buiten het kader van de Donau-monarchie konden voorstellen. Wel waren er brede lagen van de natie russofiel! Keizer Franz- Joseph zei ooit dat de helft van de Tsjechen openlijk en de andere helft geheime russofielen waren. Met die inschatting zat hij er niet ver naast, maar dat was allemaal gevoelsmatig, vaag en het miste nagenoeg elke politieke dimensie.

 

Het Tsjechisch Legioen in Frankrijk: het inlijven van Tsjechische vrijwilligers in het Franse Vreemdelingenlegioen begon in Parijs, op 21 augustus 1914. Op de 31e van dezelfde maand werd er een compagnie van 300 vrijwilligers opgericht, de 1e compagnie behoorde tot het C bataljon van het 2ième Régiment de Marche van het Franse Vreemdelingenlegioen in Bayonne. Als de Tsjechische mannen elkaar in de stad tegenkwamen begroetten ze elkaar met de woorden "Na Zdar” ( dat was een groet gebruikt door leden van de Sokol beweging, dat was een gymnastiekorganisatie voor alle leeftijden en soms ook voor vrouwen die in 1862 te Praag opgericht werd, het was gebaseerd op het principe van “ een sterke geest in een gezond lichaam”!). Te gevolge van die typisch Tsjechische begroeting werd de compagnie al vlug de Nazdar compagnie genoemd. Het 2ième Régiment de Marche maakte deel uit van de Marokkaanse divisie van het Franse leger en nam op 9 mei en 16 juni 1915 deel aan de verbeten gevechten nabij Arras. Tijdens deze strijd verloor het 2ième Régiment de Marche zoveel manschappen dat ze genoodzaakt waren om het C bataljon, de Nazdar compagnie inbegrepen, te ontbinden. De Tsjechische en Slowaakse vrijwilligers bleven verder strijden in verschillende eenheden van het Vreemdelingenlegioen en het Franse leger.

 

Bij decreet van 19 december 1917 richtte de Franse regering een onafhankelijke Tsjecho-Slowaaks leger op. De volgende maand, op 12 januari 1918, werd de 21. československý střelecký pluk (21e Tsjecho-Slowaaks fuselier regiment) gevormd in de Franse stad Cognac. Het regiment vocht als onderdeel van de 53e Franse infanteriedivisie. Op 20 mei 1918 werd het de 22e Tsjecho-Slovaaks fuselier regiment opgericht en dat werd aanvankelijk ingedeeld bij de 134e Franse infanteriedivisie.

 

Van overal kwamen Tsjechische en Slowaakse vrijwilligers de Tsjechische troepen in Frankrijk versterken, ook uit de U.S.A. kwamen 2.309 geëmigreerde Amerikaanse Tsjechen en Slowaken de troepen versterken, allen hoopten om zo de onafhankelijkheid van hun vaderland mogelijk te maken. Jaroslav Holas, een timmerman die geboren werd in Bohemen en emigreerde naar de Verenigde Staten was één van de Tsjechische vrijwilligers die naar Frankrijk kwam om mee te strijden voor de Tsjecho-Slowaaks belang. Jaroslav (Jerry) Holas overleefde de strijd. Na de wapenstilstand reisde hij naar Bohemen, trouwde er en keerde dan samen met zijn vrouw terug naar zijn Amerikaanse thuis in Clarkson U.S.A.

 

 

Op 29 juni 1918 erkende de Franse regering officieel de onafhankelijkheid van de Tsjechen en Slowaken. De volgende dag, op 30 juni 1918, tekenden de twee regimenten, in het bijzijn van de Franse president Raymond Poincaré, een alliantieverdrag met Frankrijk. Dezelfde dag overhandigde Poincaré het Tsjecho-Slowaakse leger een vlag, dat was een geschenk van de stad Parijs. Vandaag wordt 30 juni nog steeds gevierd als de "Dag van de Tsjechische strijdkrachten."

 

In dat zelfde jaar werden het 21e en het 22e fuselierregiment ondergebracht in een Tsjecho-Slowaakse brigade, die stond onder het bevel van de Franse generaal Philippe. In de herfst van 1918 streed de brigade in de Vogezen, de Champagne en vooral in de veldslagen van Vouziers en Terron (Ardennen). Uiteindelijke namen zij ook deel aan het overwinningsdefilé op de Champs-Elysees te Parijs. In de herfst van 1919 trok de 9600 koppige Brigade terug naar huis, naar hun nieuwe onafhankelijke staat. Tijdens de Eerste Wereldoorlog stierven er 650 Tsjechische en Slowaakse militairen in Frankrijk.

 

Ook in Italië was er een Tsjechisch Legioen actief, de eerste kern van vrijwilligers bestond er vooral uit Oostenrijks-Hongaarse krijgsgevangenen en deserteurs die overliepen naar het Italiaans leger, uiteraard gebeurde dat met de goedkeuring van de Italiaanse regering. Het Tsjechisch legioen zou zich aan het Italiaanse front o.a. onderscheiden in de zomer van 1918 en dat tijdens de gevechten bij Fossalta di Piave en Dosso Alto.

 

 

Meer artikels
Vrsic Pass ' De Onbekende Rus'. 07-03-2016
Soca Slovenië.

Begin 1915 werd de kleine stad van Kranjska Gora, door de nabijheid van het Isonzo Front, plots van strategisch belang.

lees meer ...
Site Memorial Interallié. 17-07-2017
Luik België.

Boven op de heuvel van de wijk Cointe te Luik staat een grote witte toren en een witte basiliek.

lees meer ...
Kerkhof Vladslo. 10-07-2017
Vladslo (Diksmuide) België.

Op het gemeentelijk kerkhof van Vladslo, nabij  de kapel voor oorlogsslachtoffers, vinden we een  dubbelgraf waarin de stoffelijke resten van twee Belgische vliegeniers rusten.

lees meer ...