Guemappe  Frankrijk.
Tank Cemetery.
Guemappe Frankrijk.

Het dorpje Guemappe ligt in het departement Pas-de-Calais, 800 meter ten zuidwesten van de hoofdweg van Arras naar Cambrai. Tank cemetry ligt ongeveer 700 meter ten noordwesten van Guemappe dorp, aan de westelijke kant van de weg van  Monchy naar Wancourt.

 

Guemappe werd op 23 en 24 april 1917 door Britse troepen ingenomen, twaalf dagen na haar buurdorp Wancourt. Deze gebeurtenis speelde zich af tijdens De Slag bij Arras. Britse troepen vielen toen aan bij de Noord-Franse stad Arras. Deze aanval, het Canadese succes bij Vimy buiten beschouwing gelaten, draaide uit op een zoveelste fiasco. Ondanks  dat de Britten veel geleerd hadden van de rampzalige aanval van 1 juli 1916, het begin van de Slag aan de Somme, trokken ze ook hier weer de slag in na een vijf dagen durend voorbereidend artilleriebombardement  en was de daarop volgende infanterieaanval  helemaal geen verrassing meer voor de Duitsers. Deze maal was de beschieting wel effectiever uitgevoerd, dat kwam door de verbeterde verkenning en nauwkeurigheid, hiervoor had men gebruik gemaakt van geluidstechnieken en had men de flitsen van Duitse kanonnen geobserveerd terwijl die  granaten afvuurden. Het prikkeldraad liep veel meer schade op door speciaal daarvoor ontworpen artilleriegranaten.

 

De infanterie klaar voor de aanval zaten verzameld in vooruitgeschoven loopgraven,   die 'saps' werden genoemd. Hierdoor was het mogelijk om de vijandelijke loopgraven sneller te bereiken. Op 9 april 1917, op tweede paasdag, was het zover. De Britse infanteristen verlieten hun saps en rukten 50 meter achter een effectief opkruipend spervuur op. Gifgasobussen en hoog explosieve artilleriegranaten werden door elkaar gebruikt, zo probeerde men om zo veel mogelijk schade teweeg te brengen aan de Duitse versterkingen. Vier Canadese divisies kregen de hachelijke taak om de heuvelrug van Vimy  te veroveren. De Duitsers hadden daar alle vorige aanvallen op dit bolwerk kunnen afslaan, maar verrassend genoeg stonden de Canadezen diezelfde dag nog op de top van de heuvel. Door nieuwe flexibele aanvallende tactieken rukte het Britse Derde Leger, rechts van de Canadezen, op de eerste dag vijf kilometer op. Ongeveer 9.000 Duitsers werden krijgsgevangenen gemaakt.  Dat de Duitsers die dag tekortschoten in hun verdediging kwam doordat de troepen, die normaal gezien een tegenaanval moesten uitvoeren, te ver achter het front lagen. Maar de bevelhebbers van het Britse Derde Leger slaagden er niet in om dit gunstige moment uit te buiten, ze wachtten tot het te laat was en lieten een kans liggen om een volledige doorbraak te bewerkstelligen. Twee dagen na het begin van de aanval, op 11 april, beval generaal Allenby, bevelhebber van het Derde Leger, een voortzetting van de opmars. Maar ondertussen waren de Duitse reservetroepen ter plaatse en konden deze de aanval afslaan. Bij Bullecourt, een dorp ten zuidoosten van de stad Arras, verstrikten de Australische eenheden in Somme-achtige toestanden en leden er hun grootste verliezen van de oorlog.

 

Ook in de luchtgevechten kreeg de Britse luchtmacht, het Royal Flying Corps, rake klappen! Het eskader van Rode Baron Manfred von Richthofen en het accurate Duitse luchtafweergeschut brachten het RFC zware verliezen toe.

 

Ongeacht het resultaat eiste de Britse veldmaarschalk Douglas Haig toch een voortzetting van de aanval. Zo wou hij de druk op de Fransen, die net het Nivelle-Offensief gelanceerd hadden, verlichten. Deze militaire operatie die officieel eindigde op 16 mei eiste veel bloed, de Britten leden 150.000 slachtoffers, de Duitsers ongeveer 130.000. Het was tijdens die gevechten dat het dorpje Guemappe in Britse handen kwam en dat de eerste doden op het pas aangelegde Tank Cemetey begraven werden. De begraafplaats werd aangelegd door de hier aanwezig gevechtseenheden en de medische veldambulances.

 

 

Eén van de jongens die hier begraven werd was de 19 jarige soldaat (Private) Joseph Olsen van het Newfoundland Regiment. Joseph melde zich op 8 september 1914 vrijwillig aan bij het leger. Op 4 oktober vertrok hij mee met het konvooi dat de 1e Canadese divisie naar Groot-Brittannië transporteerde. In Groot-Brittannië kreeg Joseph zijn opleiding in de rangen van het 1e bataljon van het Newfoundland Regiment. Eerst in  Zuid-Engeland, dan in Schotland in Fort George, in Edinburgh Castle (kasteel van Edinburgh) en in het Stobs kamp in de buurt van de Schotse stad Hawick. Zijn laatste trainingsweken, in augustus van die zomer, vonden plaats in Aldershot. Op 14 augustus 1915 kon men Private Olsen overreden om een nieuwe overeenkomst te ondertekenen, die liep nu voor de duur van de oorlog. Aan het begin van de oorlog tekende de rekruten slechts voor één jaar, maar de autoriteiten voelden al aan dat het conflict helemaal niet van korte duur zou zijn zoals aanvankelijk werd verwacht.

 

Op 20 augustus 1915 scheepte Joseph in op het opgeëiste passagiersschip Megantic en vertrok naar het Midden-Oosten. Een maand later, op 20 september, ontscheepte hij samen met de andere mannen van het 1e bataljon op Sulva Bay, dat was het begin van zijn helletocht op het Turkse schiereiland Gallipoli. De 23e oktober werd Joseph met griep opgenomen in het 88th Field Ambulance ( medische hulppost) op Suvla, maar blijkbaar werd hij nog op dezelfde dag teruggestuurd naar zij eenheid. In de nacht van 19-20 december verlieten de Britten Sulva, de Newfoundlanders vormden een onderdeel van de achterhoede, het 1e bataljon werd dan twee dagen later naar Cape Helles, dat op het westelijke puntje van het schiereiland Gallipoli lag, overgebracht. Toen in januari van 1916 al de Britse troepen op Gallipoli geëvacueerd waren, werd Joseph’s bataljon naar Alexandrië gestuurd, ze arriveerden daar op de 15e januari.

 

Op 14 maart 1916 moest het 1e bataljon, die tot de 29th Division  behoorde, opnieuw inschepen. Ditmaal was hun bestemming de Franse havenstad Marseille. Drie dagen na hun ontscheping, op 22 maart, arriveerde het bataljon in het kleine provincie stadje PontRémy. De mannen hadden een koude ellendige treinreis achter de rug,  de voor hen voorziene dekens werden immers in een aparte treinwagon vervoerd! De mannen stapten om 2uur ‘s nachts van de trein, de slaperige Newfoundlanders hadden toen nog een lange mars voor de boeg voordat ze hun kampement in Buigny l'Abbé zouden bereiken. Drie maand later zouden de Slag aan de Somme deel gaan uitmaken van hun regimentsgeschiedenis! Op 13 april marcheerde het 1e bataljon het dorp Englebelmer binnen, dat lag op een vijftigtal kilometers van het kampement in PontRémy. De 15e werden ze als versterkingstroepen naar de frontlijn gestuurd en er onmiddellijk aan het werk gezet, ze moesten er  verbeteringswerken  uitvoeren aan de communicatieloopgraven. De Newfoundlanders moesten  zich ook al vlug gaan voorbereiden op het nakende Britse Sommeoffensief. Doch soldaat Joseph Olsen werd kort na zijn aankomst in Frankrijk vanuit het bataljon gedetacheerd om andere taken binnen de 29e divisie uit te voeren. Zo ontsnapte hij aan de eerste ronde van bloedig geweld waarin zijn eenheid zou terecht komen. Gedurende diezelfde periode werd hij naar een Divisional Rest Station ( rust en revalidatieplaats van de divisie) gestuurd, hij leed aan orchitis (ontsteking van de teelballen).

 

Op 6 juli 1916 keerde hij terug naar zijn dienst, maar ondertussen waren heel wat van zijn kameraden gesneuveld! Op 1 juli, om 8u45 had het Newfoundland Regiment bij Beaumont-Hamel de opdracht gekregen om vooruit te trekken, maar het Newfoundland Regiment kon niet oprukken via de loopgraven omdat deze werden geblokkeerd door gesneuvelden en gewonden die voor hen in de aanval waren getrokken. Daarom besliste men om in formatie aan te vallen, over het slagveld. Zij waren zo de enige Britse troepen die oprukten en waren daardoor goed zichtbaar voor de Duitsers. Binnen de 15 tot 20 minuten na het verlaten van de loopgraven telden ze dan ook al zware verliezen. Van de 780 manschappen in de aanval bleven er slechts 110 ongedeerd en slechts 68 manschappen konden de volgende dag weer ingezet worden. 90% van het regiment was buiten strijd . De rest van de eenheid werd uit de loopgraven gehaald en verzameld op een plek die op een drietal kilometer van Englebelmer lag.

 

Eind juli’16 verhuisden de Newfoundlanders in noordelijke richting, ze trokken van Frankrijk naar België en kwamen terecht in de regio Ieper. Ze moesten zich versterken en reorganiseren, in de Ieperboog was het toen relatief rustig. De mannen van het 1st Battalion van het  Newfoundland Regiment bleven in België tot 8 oktober. Dan werden ze terug naar het Sommefront gestuurd. Op 12 oktober trokken ze in de aanval op de buitenkant van Gueudecourt, één van kleine typische landbouwdorpen uit de regio die herschapen was in een onbewoonde puinhoop. Weer werd de aanval slecht geleid, de Newfoundlanders leden weer zware verliezen en bereikten zeer weinig! Deze maal was Joseph wel van de partij en speelde er zijn anonieme rol. Na Gueudecourt bleef het 1e bataljon haar wacht in en uit de loopgraven van de Somme vervullen, dat eiste weerom slachtoffers.

 

Tijdens de kerstperiode mochten de Newfoundlanders op rust, op 23 januari 1917 keerden zij officieel terug op actieve dienst. Twee weken na zijn terugkeer uit de Kerstmisbreak werd soldaat Joseph Olsen, op 6 februari, opgenomen in het 34e Casualty Clearing Station (veldhospitaal) in Daours. Hij leed aan tonsillitis (ontsteking van de keelamandelen) en werd twee dagen later, de 8e, overgebracht naar het 1st Australian General Hospital (Australisch militairhospitaal) in Rouen voor verdere verzorging. Op 21 februari werd hij in het basisdepot van Rouen geposteerd. Een dik maand later, op 31 maart, keerde hij terug naar zijn eenheid dat op dat moment voor twee nachten in het dorp Vignacourt was ingekwartierd. Op 29 en 30 maart was de eenheid naar het front van Arras getrokken, waar op 9 april de slag van Arras zou losbarsten.

 

Op 14 april was het de beurt aan de Newfoundlanders om in de strijd geworpen te worden, ze vielen aan in Monchy-le-Preux. Hun actie zou een negental dagen later eindigen, op 23 april, in Les Fosses Farm. Die hoeve lag slechts ongeveer één kilometer verder dan hun startpositie van 14 april! Voor de Newfoundlanders was Monchy-le-Preux na Beaumont-Hamel de meest kostbare dag van de oorlog, op 14 april verloren ze 487 mannen. Eén van de mannen die op die dag als gesneuveld werd gerapporteerd was Private Joseph Olsen van de B compagnie.

 

Guemappe kwam tijdens het Duitse lenteoffensief, op 23 maart 1918, terug in Duits bezit  tot op 26 augustus 1918, toen werd het dorp bevrijd door de Canadezen. In 1918 werd de begraafplaats beschadigd door artillerievuur. Nu liggen hier 219 oorlogsslachtoffers begraven. In rij F bevindt er zich een lang gerekt graf waar 64 mannen van de 7th Cameron Highlanders begraven liggen.

 

De naam van de begraafplaats “Tank Cemetery” heeft niets te maken met gevechtstanks of een tankkerkhof, maar wel met de naam van een loopgraaf. Alle loopgraven rond het gebied van Guemappe begonnen met een T zoals 'Tommy Trench' enz. Toen men begon met de aanleg van de dodenakker droeg de dichtbijgelegen loopgraaf de naam 'Tank Trench'  vandaar de benaming.

 

 

 

 

 

 

 

Meer artikels
Bard Cottage Cemetery. 15-06-2015
Boezinge (Ieper) België.

Bard Cottage was de naam van een boerderij, gelegen tussen de huidige begraafplaats en het kanaal Ieper-IJzer, nabij een brug die Bard’s Causeway genoemd werd.

lees meer ...
Croonaert Chapel Cemetery. 20-02-2017
Wijtschate ( Heuvelland) België.

De Britse kleine (455m²) militaire begraafplaats Croonaert Chapel Cemetery licht te midden de velden in heuvelachtig gebied.

lees meer ...
Modrejce Österreich Ungarischer Soldatenfriedhof. 17-07-2017
Modrejce Slovenië.

De Oostenrijks-Hongaarse militaire begraafplaats van Modrejce ligt aan de oostelijke rand van het dorp.

lees meer ...