Saint-Martin-lès-Boulogne  Frankrijk.
Meerut Military Cemetery.
Saint-Martin-lès-Boulogne Frankrijk.

Meerut Military Cemetery ligt in de Franse gemeente Saint-Martin-lès-Boulogne (Pas-de-Calais). De begraafplaats ligt nabij de plek waar van oktober 1914 tot november 1915 het Meerut Stationary Hospital stond dat de gewonden van de Indiase Meerut Divisie opving en verzorgde, de begraafplaats werd vernoemd naar dit hospitaal. Deze Indische divisie droeg de naam van een stad uit de Indiase deelstaat Uttar Pradesh in India en vormde met de Lahore Divisie de expeditie macht van het Indiase leger dat toen onder Brits bevel stond.

 

Tijdens de Eerste Wereldoorlog hadden de Fransen, maar meer nog de Britten een enorm wereldrijk waaruit ze konden putten om aan hun oorlogsnoden tegemoet te komen. Het was logisch dat de kolonies voor honderd procent ingeschakeld werden in de oorlogseconomie. De beide geallieerde grootmachten brachten al vroeg in de oorlog koloniale troepen naar het westelijk front over.

 

 

Wanneer we hier over Indiërs spreken, dan bedoelen we de inwoners van de kroonkolonie India, dat een deel was van het Britse Imperium. Het toenmalige India omvatte het tegenwoordige Pakistan, India, Bangla Desh en Nepal. De Indiase nationale leiders steunden de Britten met geld en manschappen. Ze hoopten (tevergeefs) om zo na de oorlog de status van een onafhankelijk Commonwealth land te verkrijgen. Het Indische leger was op een gelijkaardige manier georganiseerd als het Britse, maar er waren toch enkele significante verschillen. Zo had het een eigen militair wetboek.  Het Indische leger had twee soorten officieren: Britse en Indische. De Britse stonden boven de Indische. De hoogste rangen hadden dezelfde naam als bij de Britten, maar er waren ook enkele eigen rangen: subadar-major (major), subadar (captain) en jemadar (lieutenant, bevelhebber over een peloton). Bij de gegradueerden (N.C.O.’s = onderofficieren) gebruikte men Indische benamingen: havildar-major (sergeant-major), havildar (sergeant), naik (corporal) en lance-naik (lance-corporal). Een soldaat was een sepoy (= Britse private). Bij de cavalerie waren er dan nog andere eigen rangen zoals rissaldar-major, rissaldar, woordie-major, kot-daffadar, daffadar en lance daffadar, respectievelijk te vergelijken met major, captain, Indian adjutant, sergeant-major, sergeant en corporal. Een soldaat bij de cavalerie was een sowar (= Britse ‘trooper’). 

 

Het verhaal van het Indische leger aan het Westelijk front begon op 6 augustus 1914. Op die dag vroeg de Britse War Council (oorlogsraad) aan de Indische regering om twee infanteriedivisies en een cavaleriebrigade naar Egypte te sturen. De twee gekozen infanteriedivisies waren de Lahore Divisie (3rd India War Division) en de Meerut Divisie (7th Indian War Division). Ze vormden samen het Indian Corps. Later werd de Secunderabad Cavalry Brigade daaraan toegevoegd.  Doch op 27 augustus 1914 besliste de Britse regering om de Indische divisies direct naar het westelijk front te sturen, om het Britse expeditieleger, dat in de Slag bij Mons zware verliezen had geleden, te versterken. Intussen was al een deel van de Lahore Divisie vertrokken, haar bestemming was Marseille. Daar kwam ze eind september 1914 aan. Voor de Indiërs was hun aankomst in Europa een volkomen nieuwe en erg vreemde ervaring. Ze begrepen de taal niet en ook de cultuur was uiteraard geheel anders. Ook met sommige nieuwe technologieën bleken de Indiërs het moeilijk te hebben. In het begin vuurden ze naar elk vliegtuig dat in de lucht te zien was, onafgezien het een Duits dan wel een geallieerd vliegtuig was. Zij konden niet geloven dat zulk een vliegend monster iets anders dan kwalijke bedoelingen zou hebben. Na enige tijd was de nieuwigheid eraf en werd nog nauwelijks opgekeken bij het overvliegen van een vliegtuig. 

 

De Indiërs werden door de Franse bevolking, zeker in het begin van de oorlog, vriendelijk ontvangen. Van Marseille ging het via het kamp van Cercottes bij Orleans naar het noorden. De krijgers van dit Indiase legerkorps kwamen naar het front in Vlaanderen en het noorden van Frankrijk, tussen Ieper en La Bassée. Op 22 oktober 1914 moesten de  mannen van het Indian Corps (Ferozepore Brigade) voor de eerste maal de vers gedolven loopgraven in tussen Hollebeke in het noorden, en Mesen in het zuiden. Het eerste Indische bataljon dat in de strijd geworpen werd, was het 57th Wilde’s Rifles in de omgeving van Wijtschate-Oosttaverne. Die dag viel ook het eerste Indische oorlogsslachtoffer aan het westfront. Op 22 oktober 1914 bereikten andere eenheden Indiase krijgers ook de loopgraven in de omgeving van Laventie, in de Pays de l’Allœu, ten westen van Lille (Rijsel). Van hen werd verlangd de Britse divisies en het Franse cavaleriekorps te ondersteunen. Hun hachelijke avontuur was begonnen! Het Indiase legerkorps slonk aanzienlijk tijdens de slagen bij Neuve-Chapelle (28 oktober en 2 november 1914 en van 10 tot en met 13 maart 1915). Vanaf 29 oktober 1914 was ook de volledige Meerut Divisie aankomen bij Neuve-Chapelle.

 

Door de strenge winter in de modderige loopgraven van het westelijk front verzwakte de gezondheid van de meeste Indiërs vrij snel. Ze leden ook onder het gebrekkige bevoorradingssysteem, dat niet in staat was om hen de nodige warme kleding en behoorlijk voedsel te verschaffen. Ze hadden last van bevroren voeten en longontstekingen. Men mag ook niet vergeten dat de Indische militairen verre van een homogene eenheid vormden, maar gezien moet worden als een multiculturele, multireligieuze en multi-etnische eenheid waarbinnen grote verschillen konden bestaan. Zo existeerden onder de sikhs grote bezwaren om de tulbanden af te doen en het haar te knippen ten behoeve van het dragen van een stalen helm en gasmasker. Ondanks alle problemen zouden ze het toch een jaar moeten volhouden in de modderige loopgraven.

 

Aan het Franse front leefden ze in de kampen en dorpen rond o.a. Lillers, Auchel en Aire-sur-la-Lys. Ze installeerden zich in de boerderijen alsof ze er geboren waren; de boeren keken er dan ook verbaasd van op dat ze zich zo ontspannen gedroegen op hun erven. Er was blijkbaar niets waar de Indiërs nog verbaasd van opkeken, dat zolang de Britse intendance hen maar genoeg ghi (geklaarde boter), geitenvlees ( in Aire was een traditioneel slachthuis) of in het ergste geval schapenvlees, en rode peper verstrekte, aanvaardden ze alles met die extreme onverschilligheid die de Oosterling eigen was. Paul Raoult, zoon van de schoolmeester van Saint-Floris, getuigde het volgende over de arme Indiers: “Ze konden slecht tegen ons klimaat. Ze liepen kou op in de barre winter van 1914, zowel in de loopgraven als in de schuren van de legerkampen. Eén van hen, die mij wel aardig vond, tikte ’s avonds bij ons aan het raam. We aarzelden om hem binnen te laten. “Mama” zei hij tegen mijn grootmoe die toen bij ons inwoonde. “Ik Mama, heel koud” en hij hoestte om zijn woorden kracht bij te zetten. Mijn moeder liet hem dan binnen. Hij ging naar de keuken, stond stilletjes bij de kachel in zijn tuniek tot aan de knie met knopen op de schouders. Als hij zijn portie warmte binnen had, bedankte hij buigend en vertrok nadat hij me een klein doosje Cheseborough vaseline, waarvan ik de preventieve werking niet kende, had gegeven, of hij gaf mij een paar sigaretten die mijn moeder mij meteen afnam.”

 

 

Na mei 1915 kwam het Indische Corps in actie bij Aubers Ridge, Festubert en Loos. Tijdens de  Britse aanval op Loos van 25 september 1915 verloor de Meerut-divisie in één dag 3.017 manschappen. Na die beruchte Slag bij Loos, einde september 1915 zat de klad er goed in bij het Indische Corps. 

 

Naast de verschrikkelijke omstandigheden waarin de Indische troepen hadden moeten vechten, waren de twee grootste problemen waarmee ze te kampen hadden de gebrekkige versterkingen (uit India) en het groot aantal slachtoffers onder de Britse officieren. Het vervangen van de Britse officieren in het Indische leger was zeker een groot probleem. Het was duidelijk dat de komst van nieuwe Britse officieren die niets van de Indiërs afwisten en hen niet begrepen of wilden begrijpen wegens raciale redenen. De Britse officieren kenden hun achtergrond niet en hadden ook moeilijkheden om met de Indiërs te communiceren. Dit was niet bevorderlijk voor het moreel van de Indische troepen. Het corps kwam in Frankrijk aan met 10 procent reserves voor de Indische eenheden. Deze reserves waren al opgebruikt voor het vervangen van zieken en ongeschikten nog voor het corps aan het front was. Het reservesysteem in India was totaal onaangepast en een groot aantal van de Indiërs die in Marseille aankwamen als versterking, bleken ongeschikt voor dienst, ofwel omdat ze te oud waren, te zwak, een slechte gezondheid hadden of ongetraind waren. Door het grote aantal slachtoffers werd het probleem dringender. De oplossing werd dan gevonden door volledige Indische eenheden vanuit India naar Europa te verschepen, zonder op zoek te gaan naar nieuwe rekruten. Dat zorgde dan weer voor problemen in India zelf. 

 

 

Eerder in de maand september 1915 had de bevelhebber van het Indische Corps, de in India geboren generaal Sir James Willcocks (1 april 1857 – 18 december 1926), die over het algemeen erg gewaardeerd werd, ontslag genomen. Voor het ontslag waren denkelijk verschillende redenen: Willcocks aanhoudende belangstelling voor het moreel van de troepen. Zijn herhaaldelijke protesten tegen het verkeerd inzetten van het corps, zijn verontrusting om het grote aantal slachtoffers en de moeilijkheden om hen te vervangen.  Zijn boosheid over het feit dat het Indische publiek niets vernam over de daden van het corps omwille van de erg doorgedreven, vaak onverantwoorde censuur en de onmogelijkheid om hen op verlof te sturen. Al deze redenenen hadden wrevel gewekt bij zijn superieuren, en dan vooral bij generaal Douglas Haig. Tijdens de voorbereiding van de Slag bij Loos, op 6 september 1915, was er een openlijk conflict tussen Haig en Willcocks. Haig had alle geduld en sympathie voor het Indische Corps verloren. Generaal Willcocks trok daaruit zijn conclusies en nam ontslag. Later, in zijn boek, The Indian Corps in France, dat kort na de oorlog verscheen, nam de generaal soms in scherpe en bittere bewoordingen de verdediging van het Indische legercorps op zich. 

 

Op veertien maanden tijd had het Indische Corps 34.252 mannen verloren, waarvan 12.807 uit de Britse eenheden van het corps en 21.445 uit de Indische bataljons. Eind september 1915 zag het Britse opperbevel zich genoodzaakt om het Indiase legerkorps, waaronder de Meerut Divisie, te verplaatsen naar Oost-Afrika, Egypte en Mesopotamië. Tegen het einde van het jaar 1915 was nagenoeg het volledige korps uit Europa vertrokken. Na het vertrek van het Indische Corps waren de Indiërs niet langer massaal aanwezig op het westelijk front. Dat wil niet zeggen dat er geen Indische eenheden meer waren, integendeel. Ook in Vlaanderen waren tot het einde van de oorlog af en toe nog Indiërs te zien.

 

 

Na het vertrek van de Meerut Divisie werd het militaire hospitaal van Saint-Martin-Lès- Boulogne gesloten. De nabijgelegen militaire begraafplaats telde toen 279 graven en een herdenkingsmonument met de namen van 32 Indische officieren en manschappen die in 1915 op de begraafplaats gecremeerd werden.

 

Op Meerut Military Cemetery  werden ook 26 Egyptische arbeiders begraven, de meesten van hen kwamen om tijdens het Duitse bombardement op Boulogne-sur-Mer in de nacht van 4 op 5 september 1917. De Egyptenaren behoorden tot het Labour Corps. Dit corps werd door het Britse leger opgericht en bestond uit eenheden van vrijwillige burgers om de strijdkrachten te ontlasten van materiële en niet-militaire taken. Deze arbeiders werkten voornamelijk aan de inrichting van loopgraven, onderhoud van wegen en het lossen van allerlei scheepsvracht. In 1918 telde het Egyptian Labour Corps 100.000 arbeiders, die zowel aan het Westelijk front als in het Midden-Oosten ingezet werden. Op de begraafplaats liggen nu 339 oorlogsslachtoffers begraven uit de Eerste Wereldoorlog, 337 van hen zijn geïdentificeerd. Sir Herbert Baker was de ontwerper van dit oord.

 

Driver Sohan stierf op  5 juli 1918  en kreeg een laatste rustplaats op Meerut Military Cemetery.

 

 

Meer artikels
Mausoleo Germanico di Quero. 08-01-2018
Quero Italië.

In dit kasteelachtige ossuarium op de Col Maor, met uitzicht op de vallei van de Piave rivier, liggen de overblijfselen van 3.461 Duitse en Oostenrijk-Hongaarse militairen.

lees meer ...
Bunkers Hoeve Hoogpoort. 05-02-2018
Wervik België.

Deze twee Duitse Einheitsunterstände liggen ten westen van de toenmalige Flandern II Stellung die  na de Derde Slag bij Ieper in de Meenen Riegel werd opgenomen.

lees meer ...
Clay-Kicking 'Three Tunnellers'. 05-01-2015
Bronzen reliëf (Plugstreet 14-18 Experience) Ploegsteert (Comines-Warneton) België.

Reeds op 21 december 1914 brachten de Duitsers de eerste mijnen tot ontploffing nabij de stad Béthune (Pas-de-Calais) in Frankrijk.

lees meer ...