Diksmuide België.
AVV VVK Joe English.
Diksmuide België.

Eén van de IJzersymbolen die in 1932, tijdens de 13e IJzerbedevaart, werden bijgezet in de crypte van de IJzertoren in Kaaskerke (Diksmuide), was Joe English. English werd toen uitgeroepen tot één van de 'IJzersymbolen', nl. als de belichaming van de 'dienende' kunst. De gedachte voor de bouw van een Vlaams monument ontstond in feite al tijdens de oorlog, een van de bedenkers was Frans Van Cauwelaert. Al in 1916 tekende Joe English de symboliek van de toren: een groot kruis met rondom alle Heldenhuldezerken. In 1928-1929 werd dit Vlaams herinneringsteken dan uiteindelijk in de vorm van de IJzertoren opgericht, dat als hulde aan de Vlaamse militairen die sneuvelden aan het IJzerfront tijdens de Groote Oorlog. Eind december 1930 schreef het IJzerbedevaartcomité een wedstrijd uit voor het creëren van vier beelden, symbolen van het Vlaamse IJzerleed, die zouden geplaatst worden op de voetstukken van de IJzertoren (nu Paxpoort). Een van de beelden op de Paxpoort stelt Joe English voor. De kunstschilder-tekenaar houdt de rechterarm hoog gestrekt en in de hand van de gebogen linkerarm rust een O.L. Vrouw-beeld.

 

Joe English werd geboren als Joseph Alphonse Marie English, Joe was zijn roepnaam. Hij zag het levenslicht in Brugge op 5 augustus 1882. De vader van Joe was een Ier die met een Brugse vrouw getrouwd was. Vader Henry was als kind van 12 jaar in Brugge aangekomen met een bootlading Ierse weeskinderen. Die werden weggebracht uit Ierland dat toen zwaar leed onder hongersnood en het katholiek-protestantse of Engels-Ierse conflict. Vader Henry English (Waterford, 1853 - Adegem 1918)  richtte in Brugge, eerst op de hoek van de Vrijdagmarkt en de Boeveriestraat en vervolgens  aan het Sint-Salvatorskerkhof,  een goud-borduuratelier op. Dat deed hij samen met zijn eega Marie Dinnewet (1858-1905), die zelf opgroeide in een Brugse kunstenaarsfamilie. Het atelier Huis-English had ooit bijna twintig werkneemsters. Henry en Marie hadden samen dertien kinderen. Alle kinderen hadden de Britse nationaliteit van hun vader, Ierland was toen nog niet onafhankelijk. Maar omdat Joe wilde studeren vormde die nationaliteit een probleem. In dat kroostrijk gezin was er geen geld om te studeren. De zussen borduurden in het atelier van hun ouders. Joe beleefde een heel gelukkige jeugd. In Brugge noemde men het gezin English “de republiek”,  dat kwam omdat ze heel actief waren en altijd overal aan en bij waren, zelfs op de fiets. Joe was geboren na zijn oudste zus, hij was de oudste zoon van dertien kinderen van wie er tien in leven bleven.

 

Al van jongs af hield Joe van schilderen en tekenen. Hij volgde lager en middelbaar onderwijs bij de Jozefienen en de Ecole Saint-Grégoire te Brugge. Om zijn talent verder te ontplooien volgde hij cursussen tekenen en schilderen aan de Stedelijke Academie te Brugge. De jonge kerel was zeker een talentvolle jongeman en met een aanbeveling van de directeur kon hij vanaf 1901 tot 1908 een opleiding als kunstschilder volgen aan de Koninklijke Academie te Antwerpen. Maar hij moest aan een beurs geraken. Daarom besliste hij om zich te laten naturaliseren tot Belg en om vrijwillig legerdienst te doen. Met zijn statuut van “universitair” kon hij leger en studies aan de Academie combineren. Joe besefte wel dat soldaat zijn lasten meebracht, in 1906 moest hij nog eens kamp gaan doen in Beverlo.  Zijn legerdienst deed hij twee jaar lang in de stad Antwerpen, dicht bij de Academie. Zo had hij kost en inwoon en kreeg hij een premie als vrijwilliger.

 

Zijn leraar was onder andere Juliaan De Vriendt, diens zoon Sam De Vriendt werd één van zijn trouwste vrienden. Joe behaalde diverse prijzen waaronder de Romeprijs (1904 en 1907) en de Godecharleprijs (1907) voor schilderkunst. Hij won die lucratieve Godecharleprijs met het drieluik “De Mensheid op zoek”. Deze prijs leverde hem 12.000 frank op, wat toen een enorme som was. Dat was zijn basiskapitaal om verder te werken, wat hij intussen al heel hard deed; talloze opdrachten voor portretten, tekeningen voor tijdschriften, grote doeken zoals zijn “Gudrun” voor de Rodenbachfeesten in Roeselare. Hij werd erkend als een veelbelovend kunstenaar en heel dat artistieke milieu van Antwerpen steunde hem voluit. 

In Antwerpen leerde Joe ook de Vlaamse Beweging beter kennen. Hij kwam er ook in kennis met Elisabeth Goedemé, zijn toekomstige echtgenote. Ook zij was opgegroeid in een Vlaams voelend en kunstminnend gezin. Vader Karel Goedemé had niet ver van de Academie een café chantant en organiseerde elk weekend revues zowel voor de schippers als voor het kunstminnend publiek. Elisabeth was zelf een begenadigde pianiste en muzieklerares. Voor Joe was zij de sterke vrouw achter de grote maar toch enigszins verlegen kunstenaar. Van 1908 tot 1914 werkte Joe als zelfstandig kunstschilder in Brugge. Voor het goud-borduuratelier van zijn vader ontwierp hij onder andere heel wat vlaggen.

 

In 1910 huwde hij met zijn Lisa (Elisabeth) Goedemé. Eerst huurden ze een huis op de Verwersdijk in Brugge maar later konden ze met zijn spaarpot van acht jaar werk in Antwerpen en Brugge op Sint-Michiels grond kopen. Architect Huib Hoste kreeg de opdracht om voor hen een huis te tekenen. Tussendoor trok Elisabeth, toen ze zwanger was, voor een tijdje terug naar Antwerpen, want ze had heimwee naar haar geboortestad. Elisabeth had het heel moeilijk om geaccepteerd te worden in de stad én in de familie. Vader Henry English was immers een patriarch, zijn dochters zijn nooit getrouwd want een kind dat zijn eigen weg ging aanvaarde hij moeilijk. Een broer is priester geworden, Michiel, en die heeft in feite met zijn zussen – op één na – het atelier mee blijven leiden na de dood van vader Henry in 1918. Michiel zou later een belangrijke rol als liturgist en kunsthistoricus spelen in het bisdom Brugge. Joe’s andere broer Willy was 17 jaar oud toen hij naar Canada trok, Joe  gaf hem een goudstuk mee en zei:tegen dat ge in de miserie geraakt en hij liet hem ook weten: “als het niet gaat, kom terug, ik betaal je reis”. Maar Willy zou daar blijven en slagen in zijn opzet.

 

 

Het nieuwe huis van Joe en Lisa was klaar eind 1913 (het staat er nog altijd) .Ze woonden er slechts enkele maanden samen. Intussen was in 1912 hun eerste kindje Godelieve geboren, zijn echtgenote en zijn dochtertje waren van dan af vaak een liefdevol onderwerp voor zijn schilderijen. Zijn zoontje zou hij nooit kennen, want het werd pas geboren toen hij al achter de IJzer verbleef… Toen Joe opgeroepen werd bij het uitbreken van de oorlog, augustus 1914, wist hij niet dat Lisa zwanger was. Hij heeft dat maar geweten kort voor de geboorte van Raf in maart 1915.

 

Nadat Joe in juli 1914 opgeroepen was, had zijn vrouw Lisa nog contact met hem tot oktober-november, maar dat contact werd toen compleet afgesneden. Lisa woonde in het bezette Brugge, en Joe zat achter het front in de Westhoek. Later kon hij via Londen en Le Havre nieuws sturen dat haar met veel vertraging bereikte. Een tijd lang woonde familie bij haar in het nieuwe huis, later werd het huis ook een tijd bezet door Duitse troepen.

 

In de eerste weken van de oorlog speelde Joe English zijn rol als korporaal bij het 7e Linieregiment, om dan tijdens de terugtocht van veldleger dagen van grote miserie te beleven. Hij werd ziek en kwam met een gewrichtsontsteking (of darmontsteking) in een hospitaalbed in het Franse Calais terecht. Toen hij zich wat beter voelde begon hij er geestige karikaturen te tekenen,  deze creaties bezorgden hem de sympathie van de militaire administratieve personeelsleden van het hospitaal, beter bekend als de embusqués. Na zijn herstel stelden zij hem voor om In Calais te blijven, dat om zichzelf en de anderen te “amuseren!” Men zou hem wel een embusquépostje bezorgen. Maar Joe voelde zich beledigd en eiste zijn terugzending naar het front. Hij kreeg onmiddellijk zijn papieren en vertrok, maar hij was nog te zwak om echte frontdienst te doen en belande zo in een compagnie van 'travailleurs'. Korporaal English moest nu kasseien leggen en werken aan loopgraven. Halverwege 1916 trof men hem aan in Boezinge waar hij samen met andere sukkelaars constant de kasseiwegen moest herstellen. Joe die niet van de sterksten was probeerde tevergeefs van dit afbeulende werk af te geraken. Hij stelde zijn kandidatuur als wagenschilder, om de letters A.B. (Armee Belge) en de nummers op de voertuigen te schilderen. Tijdens het verzoekgesprek vroeg een militaire pennenlikker hem: “Wie was uw baas voor de oorlog?” Joe antwoorde verbaasd en eerlijk: “Ik had geen baas, ik was kunstschilder”. Blijkbaar wou de gegradeerde embusqué hem niet begrijpen en antwoordde in het Frans: “ Iedereen kan me dat vertellen!” En zo gebeurde het, een Vlaamse kunstschilder mocht geen nummers op de militaire voertuigen schilderen omdat hij geen baas had gehad die het hem geleerd had. Zijn vrienden van de vereniging ‘Kunst aan de IJzer” probeerden hem te helpen maar hun pogingen mislukten. Wat later in de loop van 1916 zou onderluitenant dokter Daels, een vriend van Joe, er in slagen om hem weg krijgen van dat labeurwerk. Hij werd toegevoegd aan het onderzoekscentrum voor de bescherming tegen stikgasaanvallen, dat bevond zich in het college van Veurne en stond onder leiding van professor dokter Frans Daels. De dokter gebruikte hem als zijn assistent. Hij had hem o.a. nodig om zijn leerboek gynaecologie “Moeder en kind”, dat pas na de oorlog gepubliceerd zou worden, te illustreren. Joe maakte talloze tekeningen. In het college van Veurne had hij een stil kamertje waar hij kon nadenken, schetsen en tekeningen aan de muur prikken, en dat steeds met het genot van een kopje deugddoende thee. Joe herleefde, hij ontmoette  aalmoezeniers en brancardiers maar ook  gewone piotten en kanonniers.Daarnaast leerde hij er ook veel Vlaamsgezinden kennen. In die periode ontstond zijn verheven werk dat op de Vlaamse werking aan de IJzer een merkteken heeft geprent. Joe had toen weinig tekenmateriaal. Omdat te verhelpen schreef hij briefjes naar zijn zussen die gevlucht waren en in Londen verbleven. Hij vroeg hen: stuur alstublieft borstels, verf, papier...” Zijn tekeningen en schilderijen maakte hij op bruin papier of stukjes karton, hij schilderde wat hij zag.

 

In Veurne ging Joe ook werken voor het SKVH, het secretariaat van de katholieke Vlaamse hogeschoolstudenten die hij al kende van vroeger toen hij vaak in Leuven vertoefde. Zij kwamen aan het front op voor menselijkheid, zedelijkheid, godsdienst én respect voor de Vlaamse taal. Joe’s meest bekende werken voor hen waren het “Mis – en gebedenboek van de Vlaamsche Soldaat”, prentbriefkaarten, maar ook zijn sluitzegels voor op de briefomslagen werden bekend. Op die zegels combineerde hij illustraties met slagzinnen als:” Zedelijk volk, groot volk  ” en “Houdt u fier, houdt u rein ”. Er waren ook Franstalige sluitzegels daarop stond bv.: “ Restez dignes de fonder un foyer ” (“ Blijf waardig om een huisgezin te stichten ”). De sluitzegels kenden een ongelooflijk succes, er werden er in het totaal 700. 000 verspreid !

 

In die zelfde periode schilderde hij het bekende werk “Onze Lieve Vrouw van de IJzer”. Dat is wellicht het innigste kunstwerk dat Joe heeft voortgebracht, toen hij er nadien over sprak was het steeds met de liefkozende woorden: “ Mijn Onze-Lieve-Vrouwtje van de IJzer.” Van elke tekening die hij achter het front creëerde en voor welke hij geld had gekregen, schreef hij een cheque uit die hij via Nederland opstuurde naar zijn Lisa.

 

Ook het ontwerp van de 'neo-ierse' kruisen, waaronder ook de 'heldenhuldezerk' voor op militaire begraafplaatsen met daarop het embleem van de blauwvoet en de leuze AVV-VVK (Alles Voor Vlaanderen, Vlaanderen Voor Kristus) waren van zijn hand. De eerste heldenhuldezerken werden in april 1917 geplaatst. Tegen het einde van de oorlog liep het aantal al op tot een duizendtal. De Belgische overheid zag het met lede ogen gebeuren. In 1925 wilde de overheid de grafzerken van de Belgische gesneuvelden ‘uniformiseren’, waardoor heel wat van de heldenhuldezerken verwijderd werden en uiteindelijk ook vernietigd, wanneer de nabestaanden geen eis lieten gelden.

 

 

Vanaf 1917 werd hij ook door het Belgisch leger aangesteld als kunstschilder en documentair tekenaar, bijvoorbeeld door weer te geven hoe Veurne er uitzag na de bombardementen. Joe werd opgenomen in de 'Section artistique de l'Armée de Campagne'. Deze artistieke sectie groepeerde een aantal officieel erkende schilders en beeldhouwers, die werden vrijgesteld van een aantal militaire verplichtingen en mochten hun tijd consacreren aan hun kunst. Joe nam ook deel aan kunstwedstrijden en exposities, In 1915 deed hij mee aan de tekenwedstrijd van de Belgische Standaard. Eind 1916 had pater Ildefons Peeters het idee om met de hulp van ‘De Belgische Standaard’ een expositie in De Panne op touw te zetten. De drijvende kracht achter de tentoonstelling was juffrouw Belpaire die zich begin september 1916 inzette voor een expositie in de leeszaal van De Panne, meer dan honderd schilderijtjes en schetsen werden geëxposeerd. De doeken met kapotgeschoten kerkjes, gecamoufleerde schuilplaatsen en loopgraven hadden een documentair karakter , maar er waren ook werken van getalenteerde kunstenaars bij. Verschillende prominenten zoals koning Albert en koningin Elisabeth bezochten de tentoonstelling. In twee artikels in ‘Ons Vaderland’ deed Joe English een warme oproep tot de mannen in de loopgraven om pentekeningen naar hem op te sturen:  ”In een soldatententoonstelling is er voor alle goesten, ieder wordt aangetrokken tot wat hij zelf beoefent en betracht… Maak het uzelf niet te ingewikkeld, zoek niet te ver : geef uw land, uw leven weer zoals het zich voordoet, dan kan een lijntje, een tintje meer worden bijgevoegd aan de beeltenis, het portret van de jaren 1914-15-16.” Een tweede dergelijke expositie vond plaats begin 1917, ook in De Panne, maar nu in een zaal van het hospitaal L’Océan. Er waren toen maar liefst 350 bijdragen te bezien ! In 1917 nam Joe zelf ook deel aan de tentoonstelling “Kunst aan den IJzer”. Bij dergelijke evenementen was Joe nauw betrokken als lay-out man en/of als jurylid en initiatiefnemer. Bij dergelijke exposities kwamen veel gewone soldaten voor het eerst in contact met kunst. Het ging hier over de artistieke verwerking van ervaringen die ze allen deelden, dus moeten deze kunstwerken hen toch sterk aangesproken hebben.

 

Volgens Co English, de kleindochter van Joe, stierf de kunstenaar waarschijnlijk te gevolge  van een buikvliesontsteking ( andere bronnen spreken van blindedarmontsteking).  Al van begin augustus had Joe last van hevige krampen in zijn buik. Zijn vriend dokter Daels was niet meer in de buurt, want hij was gestraft omwille van zijn medewerking aan het SKVH dat vanaf 1917 door de Belgische legerleiding effectief werd vervolgd. Joe werd onderzocht door verschillende dokters, maar die talmden en zijn toestand verergerde. Uiteindelijk zou men hem toch naar een militair hospitaal overbrengen. Het legerziekenhuis in Vinkem, L’Ocean II, bood wel alle mogelijkheden om hem goed te verzorgen, maar hij kwam er veel te laat aan. Het vervoer van gekwetste militairen had voorrang en dat gebeurde met motorrijtuigen. Joe was “slechts” ziek, en werd daarom met een ambulancekar vervoerd. Voor de arme Joe die zich stil moest houden en voor wie elke beweging een marteling was werd gedurende twee dagen en een nacht van de ene kar naar de andere versjouwd. Uiteindelijk kwam alle hulp in de nacht van 31 augustus op 1 september 1918 te laat. Joe English stierf op 36-jarige leeftijd te Vinkem. Op 3 september 1918 werd hij op de Belgische militaire begraafplaats van Steenkerke begraven, dat gebeurde met een rouwstoet vanaf de kerk naar de nabijgelegen grafkuil. Op de begraafplaats werden er toespraken gehouden door Juliaan Platteau, professor Daels en Filip de Pillecyn. Rond die periode deden geruchten de ronde dat ze hem de nodige medische zorgen hadden geweigerd. Zijn echtgenote zou pas na de oorlog te weten komen dat haar man gestorven was.

 

Een wat gekleurd fragment uit ‘Ons Vaderland’ van 6 september 1918 klonk als volgt: "Deze mare zal alle Vlamingen pijnlijk treffen: Joe English, de Vlaamsche kunstenaar is niet meer. Vrijdag namiddag werd hij in het krijgsgasthuis van Vinckem doodziek aangebracht. De geneesheren vermochten niet hem te redden. Hij ontsliep in den Heer zaterdag 31 oogst om 10 ure "s avonds. Zijn laatste uren en zijne dood waren die van een heilige."

 

 

Na zijn dood was het vooral  priester Cyriel Verschaeve die de cultus rond English op gang bracht met een artikel in 'Ons Vaderland' (12 september 1918). English werd voorgesteld als een eenvoudig en bescheiden Vlaams soldaat die tegelijk een groot kunstenaar was. Dat sloot mooi aan bij de propaganda voor een hulde aan de Vlaamse IJzersoldaten. Eind 1918 hield het Davidsfonds in Brugge een herdenkingsdienst voor hem. In Gent werd in 1919 een Joe English-huldecomité opgericht, dat verleende financiële steun aan Joe ’s gezin, want als weduwe van een gestorven en niet van een gesneuvelde militair kreeg ze maar 'n kleine weduwenrente. Dat steunfonds heeft vele jaren voor de kinderen van Joe gezorgd. Op 4 en 5 september 1920 werd een eerste English-hulde georganiseerd in Veurne en Steenkerke. De tocht naar het graf van Joe English te Steenkerke was in wezen de eerste IJzerbedevaart. Toen het IJzerbedevaartcomité in 1922 werd opgericht, werd Lisa lid van de algemene vergadering. Joe is met haar volle medewerking een IJzersymbool en Vlaamse martelaar geworden. Rond zijn figuur werd tijdens het interbellum een romantische sfeer gecreëerd die hem presenteerde als het slachtoffer van zijn Vlaams ideaal. In deze context werd zijn kunstenaarstalent vaak ook opgeschroefd, toch heeft hij als niemand anders gestalte gegeven aan het ideaal van de Vlaams-strijdende beweging aan de IJzer.

 

De kunst van Joe van voor 1914 is bij het grote publiek minder bekend, Joe was een getalenteerde kunstschilder, tekenaar, grafisch kunstenaar, illustrator. Hij schilderde o.a. portretten van Cyriel Verschaeve, zijn schoonvader Charles Goedeme, van zijn vrouw en dochter. Zijn vele humortekeningen en karikaturen zijn onbekend. Want die dateren grotendeels van voor 14-18. Ze verschenen in “Ons Volk ontwaakt”, een van de eerste Vlaamse geïllustreerde weekbladen. Trouwens, veel van wat Joe English voor de oorlog creëerde raakte in de vergetelheid, het leek niet meer belangrijk. De tekeningen van Joe English werden bij de Vlaamse mensen tussen de twee wereldoorlogen heel bekend, dat kwam niet alleen via de propaganda van de IJzerbedevaarten maar ook door schoolboeken en agenda’s, allerlei prentkaarten enzovoort….

 

In zijn korte leven liet hij een omvangrijk oeuvre na. Joe English verdiende als kunstschilder terecht een bijzondere plaats tussen zijn meer bekende tijdsgenoten in de “moderne Vlaamse schilderkunst” (1850-1950).

 

 

Meer artikels
Roozemberg (Rosenberg) Farm. 29-05-2017
Ploegsteert (Comines-Warneton) België.

Rosenberg château, het buitenverblijf van de familie Motte-Cordonnier; werd gebouwd in 1875.

lees meer ...
Newfoundland Memorial Park 'Screw Pickets'. 29-02-2016
Beaumont-Hamel Frankrijk.

Het oorlogsjaar 1915 was voor de Geallieerden onsuccesvol verlopen. Eind 1915 besloten de leden van de Entente – Frankrijk, het Britse Rijk, Rusland en Italië – dat 1916 het jaar moest worden om Duitsland definitief te verslaan.

lees meer ...
De Ulster Tower. 14-11-2016
Thiepval Frankrijk.

Op 1 juli 1916, toen de Big Push aan de Somme begon lag de sector van de Ierse 36e   Ulster Divisie  dwars op het moerasachtige dal van de rivier Ancre.

lees meer ...